Inleiding pedagogiek college 1 & 2 aantekeningen:
Pedagogiek als opvoedingskunst, leer van de opvoeding.
Pedagoog: gouverneur, leermeester
- Iemand die zich toelegt op de studie van de pedagogiek
Feitelijke vragen:
- Wie zijn betrokkenen wat doen ze?
- En met het oog waarop (doel)?
- Wat zijn de gevolgen/effecten van dit gedrag?
Context gerelateerde vragen (maatschappelijk verschijnsel):
- Waarom doen ze dat zo?
- Waarom is dat wel/niet wenselijk?
- Volgens wie?
Wet OKE (ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie).
Pedagogiek als opvoedingswetenschap:
- Kennis over opvoeding als sociale praktijk.
- Kennis ten dienste van opvoeding als sociale praktijk.
Menselijk gedrag is deels aangeleerd en deels aangeboren. Het gedrag/genen van het kind heeft
invloed op de opvoeding van de ouders.
Sekse = biologisch
Gender = sociaal, de betekenis die sekse heeft in de sociale context van mensen, wat ziet men als
‘normaal’? Welke verwachtingen zijn er?
- Wat willen we dat een kind wel of niet leert?
Sekse bepaalt niet 100% waar een kind ‘aanleg voor heeft’.
Opvoeding: erfelijkheid en leren en normatieve keuzes maken.
- ‘de vraag wat opvoeding is, kan niet losgezien worden van wat opvoeding hoort te zijn’.
- Religieuze overtuigingen
- Mensbeeld (gevoelswezen of rationeel wezen)
- Maatschappelijke idealen
Direct boodschap: sekse specifiek speelgoed of kleding, reageren op gedrag van een kind.
Indirect boodschap: taakverdeling in een gezin, toeschrijven van emoties aan sekse (prentenboek-
voorbeeld)
Onbewuste en niet gereflecteerde gedragingen ouders:
, - Enerzijds: kind leert gewoontes kennen (socialisatie).
- Anderzijds: risico, aanleg/talenten kind worden ondergeschikt aan sociale verwachtingen.
Pedagogiek betrokken handelingswetenschap
- “Verbeteren van praktijken ‘ten dienste van’, maar niet kritiekloos’’.
Omgaan: kinderen ondersteunen bij het leren omgaan met zichzelf en anderen. De morele plicht is
gekoppeld aan het hebben van een democratisch samenleving. Hierbij moeten kinderen niet
gevormd worden naar een bepaald ‘model’.
College 3 & 4:
Traditioneel gezin versus samengesteld (complex) gezin (16%).
Ecologische systeemtheorie (ontwikkeling van het individu wordt beïnvloed door interacties binnen
en tussen verschillende systemen) van Bronfenbrenner :
- Individueel --> microsysteem --> meso systeem --> exosysteem --> macrosysteem -->
chronosysteem (een grote gebeurtenis in een bepaalde tijd van een kind zijn leven, zoals het
overlijden van een familielid of voor een grotere groep kinderen zoals het geval was bij de
twin towers.
Detraditionalisering:
- Secularisering: afname van de rol van religie/kerk in het dagelijks leven.
- Individualisering: eigen keuzes zijn belangrijker.
- Emancipatie van vrouwen.
Door de stijging van het opleidingsniveau (meer en langer onderwijs) (Mammoetwet/doorstroming
van niveaus) van mensen in een land heeft als gevolg dat er detraditionalisering plaats vindt.
Gevolgen hiervan voor het gezin is:
- Vaker samenwonen voor het trouwen.
- Trouwen op hogere leeftijd
- Het eerste kind komt op hogere leeftijd (van 25 naar 29)
- Deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt
Pedagogiek als opvoedingskunst, leer van de opvoeding.
Pedagoog: gouverneur, leermeester
- Iemand die zich toelegt op de studie van de pedagogiek
Feitelijke vragen:
- Wie zijn betrokkenen wat doen ze?
- En met het oog waarop (doel)?
- Wat zijn de gevolgen/effecten van dit gedrag?
Context gerelateerde vragen (maatschappelijk verschijnsel):
- Waarom doen ze dat zo?
- Waarom is dat wel/niet wenselijk?
- Volgens wie?
Wet OKE (ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie).
Pedagogiek als opvoedingswetenschap:
- Kennis over opvoeding als sociale praktijk.
- Kennis ten dienste van opvoeding als sociale praktijk.
Menselijk gedrag is deels aangeleerd en deels aangeboren. Het gedrag/genen van het kind heeft
invloed op de opvoeding van de ouders.
Sekse = biologisch
Gender = sociaal, de betekenis die sekse heeft in de sociale context van mensen, wat ziet men als
‘normaal’? Welke verwachtingen zijn er?
- Wat willen we dat een kind wel of niet leert?
Sekse bepaalt niet 100% waar een kind ‘aanleg voor heeft’.
Opvoeding: erfelijkheid en leren en normatieve keuzes maken.
- ‘de vraag wat opvoeding is, kan niet losgezien worden van wat opvoeding hoort te zijn’.
- Religieuze overtuigingen
- Mensbeeld (gevoelswezen of rationeel wezen)
- Maatschappelijke idealen
Direct boodschap: sekse specifiek speelgoed of kleding, reageren op gedrag van een kind.
Indirect boodschap: taakverdeling in een gezin, toeschrijven van emoties aan sekse (prentenboek-
voorbeeld)
Onbewuste en niet gereflecteerde gedragingen ouders:
, - Enerzijds: kind leert gewoontes kennen (socialisatie).
- Anderzijds: risico, aanleg/talenten kind worden ondergeschikt aan sociale verwachtingen.
Pedagogiek betrokken handelingswetenschap
- “Verbeteren van praktijken ‘ten dienste van’, maar niet kritiekloos’’.
Omgaan: kinderen ondersteunen bij het leren omgaan met zichzelf en anderen. De morele plicht is
gekoppeld aan het hebben van een democratisch samenleving. Hierbij moeten kinderen niet
gevormd worden naar een bepaald ‘model’.
College 3 & 4:
Traditioneel gezin versus samengesteld (complex) gezin (16%).
Ecologische systeemtheorie (ontwikkeling van het individu wordt beïnvloed door interacties binnen
en tussen verschillende systemen) van Bronfenbrenner :
- Individueel --> microsysteem --> meso systeem --> exosysteem --> macrosysteem -->
chronosysteem (een grote gebeurtenis in een bepaalde tijd van een kind zijn leven, zoals het
overlijden van een familielid of voor een grotere groep kinderen zoals het geval was bij de
twin towers.
Detraditionalisering:
- Secularisering: afname van de rol van religie/kerk in het dagelijks leven.
- Individualisering: eigen keuzes zijn belangrijker.
- Emancipatie van vrouwen.
Door de stijging van het opleidingsniveau (meer en langer onderwijs) (Mammoetwet/doorstroming
van niveaus) van mensen in een land heeft als gevolg dat er detraditionalisering plaats vindt.
Gevolgen hiervan voor het gezin is:
- Vaker samenwonen voor het trouwen.
- Trouwen op hogere leeftijd
- Het eerste kind komt op hogere leeftijd (van 25 naar 29)
- Deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt