Samenvatting Generiek PABO
Nature: biologisch of erfelijk bepaalt
Nurture: omgevingsfactoren
Opvoedingsstijlen (Roos van Leary):
1. Autoritaire stijl:
- Sterke controle van de ouders
- Strenge regels gehanteerd
- Ouders eisen respect en gehoorzaamheid
2. Permissieve stijl:
- Ouders leggen de opvoeding bij het kind zelf
- Ouders laten het kind heel erg vrij
- Als er regels zijn worden die amper nagestreefd
- Kinderen worden vaak egoïstisch op school
3. Autoritatieve stijl:
- Ouders ondersteunen het kind
- Ouders maken gebruik van beloning en complimenten i.p.v. straffen
- Kind mag eigen mening hebben
- Ouders stimuleren dat alles bespreekbaar is.
Begeleidingstijden:
- Autoritaire groepsbegeleidingsstijl: roept agressief haantjes gedrag op bij de kinderen
- Permissieve groepsbegeleidingsstijl: veroorzaakt veel chaos
- Autoritatieve/democratische stijl: de beste begeleidingsstijl, ben als leraar consequent,
zorg voor structuur, geef zowaar nodig kinderen de ruimte
Relevante ontwikkelingstheorieën/ leertheorieën (Jean Piget & Vygotsky):
(Conditioneren: het leren door te belonen en te straffen en negeren)
1. Behaviorisme
- Klassiek conditioneren (Pavlov): Stimulus - black box – respons
De honden (black box: organisme) reageerde eerst niet op het belletje. Door het
toevoegen van het geven eten (stimulus: eten), wanneer de bel luidde, reageerde de
honden daarop. De honden begonnen te kwijlen (respons: reflex). Door dit te herhalen,
gingen de honden al kwijlen (respons) op het moment dat de bel geluid werd.
(Vervangende stimulus: geluid)
- Operant conditioneren (Skinner): Skinner – box
Skinner had een muis in de box gezet. Wanneer de muis op het verkeerde knopje drukte
kreeg hij een schok. Drukte de muis op het goede knopje, dan kreeg hij een beloning. De
knop (stimulus: voorwerp) wordt gebruikt als externe prikkel. Er wordt vervolgens op een
knop gedrukt (respons: reactie). Afhankelijk van welke knop er wordt ingedrukt wordt
, een beloning of straf gegeven. Dit zorgt ervoor dat er vervolgens alleen maar de juiste
knop wordt ingedrukt.
- Modelleren/ sociale leertheorie (Bandura): 4 voorwaarden
1. Er moet aandacht zijn voor het gedrag van een ander.
2. Het visuele beeld moet in het geheugen worden vastgehouden
3. Het kind moet fysiek in staat zijn om te imiteren en over voldoende informatie
beschikken om dit goed te doen.
4. Het kind dient gemotiveerd te zijn
- Constructivisme (Jean Paiget):
Actieve manier van kennisverwerving. Leerlingen krijgen steeds meer eigen
verantwoordelijkheid over de manier van leren. Kennis delen met anderen (sociaal –
constructivisme).
- Handelingspsychologie (Vygotsky en Galperin):
Niet aangeboren of innerlijke factoren bepalen wie je bent, wat je doet en wat er van je
wordt, maar de maatschappelijk realiteit, de sociale context waarin je opgroeit leert.
Verschillende handelingsstructuren: cognitieve handelingsstructuren. Bewuste keuze:
non-cognitieve handelingsstructuren. Automatische activiteiten: geautomatiseerde
activiteiten, zoals autorijden.
- Groepsdynamica (Johnson): het leven en werken in groepen
Wat is een groep? Twee of meer mensen die een interactie met elkaar aangaan en die
onderling van elkaar afhankelijk zijn. Groepsvorming: exploratief gedrag, verkennen
ontdekken en uitproberen. Groepsontwikkeling: zich herhalende fasen theorieën.
Afhankelijk van de leiding. Paarvorming onder de groepsleden voor emotionele steun.
Vecht-vluchtreacties op bedreigingen. Opeenvolgende-fasen-theorieën: het lijkt op de
ontwikkeling van een kind. De groep doorloopt bepaalde fase en valt daar niet meer
terug in.
- Samenwerken: factoren die het samenwerken in een groep mogelijk maakt.
Positie afhankelijk. Individuele aansprakelijkheid en groepsverantwoordelijkheid. Directe
en positieve interactie. Adequaat gebruik van sociale vaardigheden. Groepsreflectie.
- Rollen in de groep:
Instrumentele rollen/taakrollen: zorgen dat de doelstellingen van de groep worden
verwezenlijkt. Expressieve rollen/sociale emotionele rollen. Geven emotionele
ondersteuning en zorgen ervoor dat de sfeer in de groep goed is, waardoor de groep bij
elkaar blijft.
Teamrollen Belbin:
Positieve bijdrage Negatieve bijdrage
Uitvinder Grote verbeeldingskracht Let niet op details
Brononderzoeker Enthousiast, onderhoudt Te optimistisch
contacten buiten de groep
Voorzitter Doelgericht, volwassen Kan het delegeren ook gebruik
zelfvertrouwen maken om te manipuleren.
Vormer Uitdagend, dynamisch Kan in gedrevenheid andere
presteert onder druk kwetsen
Monitor Nuchter, strategisch Mist gedrevenheid en het
vermogen om andere te
motiveren
Nature: biologisch of erfelijk bepaalt
Nurture: omgevingsfactoren
Opvoedingsstijlen (Roos van Leary):
1. Autoritaire stijl:
- Sterke controle van de ouders
- Strenge regels gehanteerd
- Ouders eisen respect en gehoorzaamheid
2. Permissieve stijl:
- Ouders leggen de opvoeding bij het kind zelf
- Ouders laten het kind heel erg vrij
- Als er regels zijn worden die amper nagestreefd
- Kinderen worden vaak egoïstisch op school
3. Autoritatieve stijl:
- Ouders ondersteunen het kind
- Ouders maken gebruik van beloning en complimenten i.p.v. straffen
- Kind mag eigen mening hebben
- Ouders stimuleren dat alles bespreekbaar is.
Begeleidingstijden:
- Autoritaire groepsbegeleidingsstijl: roept agressief haantjes gedrag op bij de kinderen
- Permissieve groepsbegeleidingsstijl: veroorzaakt veel chaos
- Autoritatieve/democratische stijl: de beste begeleidingsstijl, ben als leraar consequent,
zorg voor structuur, geef zowaar nodig kinderen de ruimte
Relevante ontwikkelingstheorieën/ leertheorieën (Jean Piget & Vygotsky):
(Conditioneren: het leren door te belonen en te straffen en negeren)
1. Behaviorisme
- Klassiek conditioneren (Pavlov): Stimulus - black box – respons
De honden (black box: organisme) reageerde eerst niet op het belletje. Door het
toevoegen van het geven eten (stimulus: eten), wanneer de bel luidde, reageerde de
honden daarop. De honden begonnen te kwijlen (respons: reflex). Door dit te herhalen,
gingen de honden al kwijlen (respons) op het moment dat de bel geluid werd.
(Vervangende stimulus: geluid)
- Operant conditioneren (Skinner): Skinner – box
Skinner had een muis in de box gezet. Wanneer de muis op het verkeerde knopje drukte
kreeg hij een schok. Drukte de muis op het goede knopje, dan kreeg hij een beloning. De
knop (stimulus: voorwerp) wordt gebruikt als externe prikkel. Er wordt vervolgens op een
knop gedrukt (respons: reactie). Afhankelijk van welke knop er wordt ingedrukt wordt
, een beloning of straf gegeven. Dit zorgt ervoor dat er vervolgens alleen maar de juiste
knop wordt ingedrukt.
- Modelleren/ sociale leertheorie (Bandura): 4 voorwaarden
1. Er moet aandacht zijn voor het gedrag van een ander.
2. Het visuele beeld moet in het geheugen worden vastgehouden
3. Het kind moet fysiek in staat zijn om te imiteren en over voldoende informatie
beschikken om dit goed te doen.
4. Het kind dient gemotiveerd te zijn
- Constructivisme (Jean Paiget):
Actieve manier van kennisverwerving. Leerlingen krijgen steeds meer eigen
verantwoordelijkheid over de manier van leren. Kennis delen met anderen (sociaal –
constructivisme).
- Handelingspsychologie (Vygotsky en Galperin):
Niet aangeboren of innerlijke factoren bepalen wie je bent, wat je doet en wat er van je
wordt, maar de maatschappelijk realiteit, de sociale context waarin je opgroeit leert.
Verschillende handelingsstructuren: cognitieve handelingsstructuren. Bewuste keuze:
non-cognitieve handelingsstructuren. Automatische activiteiten: geautomatiseerde
activiteiten, zoals autorijden.
- Groepsdynamica (Johnson): het leven en werken in groepen
Wat is een groep? Twee of meer mensen die een interactie met elkaar aangaan en die
onderling van elkaar afhankelijk zijn. Groepsvorming: exploratief gedrag, verkennen
ontdekken en uitproberen. Groepsontwikkeling: zich herhalende fasen theorieën.
Afhankelijk van de leiding. Paarvorming onder de groepsleden voor emotionele steun.
Vecht-vluchtreacties op bedreigingen. Opeenvolgende-fasen-theorieën: het lijkt op de
ontwikkeling van een kind. De groep doorloopt bepaalde fase en valt daar niet meer
terug in.
- Samenwerken: factoren die het samenwerken in een groep mogelijk maakt.
Positie afhankelijk. Individuele aansprakelijkheid en groepsverantwoordelijkheid. Directe
en positieve interactie. Adequaat gebruik van sociale vaardigheden. Groepsreflectie.
- Rollen in de groep:
Instrumentele rollen/taakrollen: zorgen dat de doelstellingen van de groep worden
verwezenlijkt. Expressieve rollen/sociale emotionele rollen. Geven emotionele
ondersteuning en zorgen ervoor dat de sfeer in de groep goed is, waardoor de groep bij
elkaar blijft.
Teamrollen Belbin:
Positieve bijdrage Negatieve bijdrage
Uitvinder Grote verbeeldingskracht Let niet op details
Brononderzoeker Enthousiast, onderhoudt Te optimistisch
contacten buiten de groep
Voorzitter Doelgericht, volwassen Kan het delegeren ook gebruik
zelfvertrouwen maken om te manipuleren.
Vormer Uitdagend, dynamisch Kan in gedrevenheid andere
presteert onder druk kwetsen
Monitor Nuchter, strategisch Mist gedrevenheid en het
vermogen om andere te
motiveren