De elektriciteitscentrale wekt
energie op
1. Grote branders aardgas,
steenkool of andere brandstof
verbrand. Vrijkomende warmte
ketel verhit. Ontstaat stoom-
hete waterdamp- 500C en hoge
druk.
2. De stoom spuit met grote
snelheid tegen de schoepen van
een turbine aan. As van turbine
draait rond.
3. Aan de as is een generator
gekoppeld, soort grote dynamo.
Als de as draait, wordt er in de
generator elektrische energie
opgewekt.
4. De ‘’afgewerkte’’ stoom, lagere
temperatuur en druk, wordt naar
een condensor geleid. Stroom
wordt met koelwater afgekoeld, zodat het condenseert en vloeibaar is. Water wordt
teruggepompt naar de ketel, de cyclus begint opnieuw.
Inductiespanning opwekken
Zelfde werking als fietsdynamo. Opstelling: spoel, magneet en spanningsmeter. Als je een
magneet heen en weer beweegt verandert de spanning de hele tijd mee. Er ontstaat
wisselspanning tussen de uiteinden van de spoel. Dit heet inductie. De wisselspanning=
inductiespanning.
Elektrisch vermogen
Elektrisch vermogen= maximale hoeveel energie die centrales kunnen leveren per seconde.
Apparaten verbruiken die elektrische energie. De energie verdwijnt dus niet.
Elk apparaat heeft zijn eigen vermogen. Dat is de hoeveelheid energie die het apparaat per
seconde verbruikt.
Het energieverbruik berekenen
Formule: E=P t
E= energie in Joule (J)
P= vermogen in watt (W)
t= tijd in seconde (s)
Ook P=E:T
Energie meten in Joule
1 joule is weinig energie. Grote hoeveelheden kun je dus beter weergeven in kilojoule of
megajoule (kJ) of (MJ).
De huisinstalatie
De huisinstalatie loopt door muren en plafonds van
een woonhuis.
Je kunt overal gebruik maken van elektrische energie.
Een groep bestaat uit aantal parallel geschakelde
, vertakkingen die elk naar één stopcontact of één lichtpunt leiden. Stopcontact heeft een
spanning van 230 V.
Spanning U is dus overal in de groep even groot:
U= U1=U2=U3=…=230 V
U= de spanning over de totale huisinstallatie in volt (V)
U1, U2, U3= de spanning over de eerste, tweede, derde vertakking in volt (V)
Elke groep heeft een eigen groepsschakelaar waarmee je de spanning kunt uitschakelen.
Stroomsterkte bij alle vertakkingen bij elkaar is de totale stroomsterkte:
Itot= I1+I2+I3+…
Itot= de totale stroomsterkte door een groep in ampère (A)
I1, I2, I3= de totale stroomsterkte door de eerste, tweede, derde vertakking in ampère (A)
Een apparaat aansluiten
De meeste apparaten sluit je met een stekker aan op het lichtnet. In het stopcontact loopt de
bruine draad (fasedraad) en de blauwe draad (nuldraad). Op de bruine draad staat
wisselspanning van 230 V. Op de blauwe draad staat geen spanning. Schakeldraad= van de
schakelaar naar de lamp. Op de schakeldraad staat alleen spanning als de schakelaar in de
AAN-stand staat. UIT- geen spanning bij de lamp.
Het vermogen van een apparaat
Op elk elektrisch apparaat is het vermogen vermeld, meestal samen met andere gegevens.
Het vermogen hangt af van twee factoren: de spanning (over het apparaat) en de
stroomsterkte (door het apparaat). Als de spanning verdubbelt, verdubbelt het vermogen ook.
Als de totale stroomsterkte verdubbelt, verdubbelt het vermogen ook. Als de spanning en het
vermogen verdubbelen, verdubbeld het vermogen vier keer. Het elektrische vermogen kun je
berekenen met de formule:
P= U I
P= vermogen in watt (W)
U= spanning in volt (V)
energie op
1. Grote branders aardgas,
steenkool of andere brandstof
verbrand. Vrijkomende warmte
ketel verhit. Ontstaat stoom-
hete waterdamp- 500C en hoge
druk.
2. De stoom spuit met grote
snelheid tegen de schoepen van
een turbine aan. As van turbine
draait rond.
3. Aan de as is een generator
gekoppeld, soort grote dynamo.
Als de as draait, wordt er in de
generator elektrische energie
opgewekt.
4. De ‘’afgewerkte’’ stoom, lagere
temperatuur en druk, wordt naar
een condensor geleid. Stroom
wordt met koelwater afgekoeld, zodat het condenseert en vloeibaar is. Water wordt
teruggepompt naar de ketel, de cyclus begint opnieuw.
Inductiespanning opwekken
Zelfde werking als fietsdynamo. Opstelling: spoel, magneet en spanningsmeter. Als je een
magneet heen en weer beweegt verandert de spanning de hele tijd mee. Er ontstaat
wisselspanning tussen de uiteinden van de spoel. Dit heet inductie. De wisselspanning=
inductiespanning.
Elektrisch vermogen
Elektrisch vermogen= maximale hoeveel energie die centrales kunnen leveren per seconde.
Apparaten verbruiken die elektrische energie. De energie verdwijnt dus niet.
Elk apparaat heeft zijn eigen vermogen. Dat is de hoeveelheid energie die het apparaat per
seconde verbruikt.
Het energieverbruik berekenen
Formule: E=P t
E= energie in Joule (J)
P= vermogen in watt (W)
t= tijd in seconde (s)
Ook P=E:T
Energie meten in Joule
1 joule is weinig energie. Grote hoeveelheden kun je dus beter weergeven in kilojoule of
megajoule (kJ) of (MJ).
De huisinstalatie
De huisinstalatie loopt door muren en plafonds van
een woonhuis.
Je kunt overal gebruik maken van elektrische energie.
Een groep bestaat uit aantal parallel geschakelde
, vertakkingen die elk naar één stopcontact of één lichtpunt leiden. Stopcontact heeft een
spanning van 230 V.
Spanning U is dus overal in de groep even groot:
U= U1=U2=U3=…=230 V
U= de spanning over de totale huisinstallatie in volt (V)
U1, U2, U3= de spanning over de eerste, tweede, derde vertakking in volt (V)
Elke groep heeft een eigen groepsschakelaar waarmee je de spanning kunt uitschakelen.
Stroomsterkte bij alle vertakkingen bij elkaar is de totale stroomsterkte:
Itot= I1+I2+I3+…
Itot= de totale stroomsterkte door een groep in ampère (A)
I1, I2, I3= de totale stroomsterkte door de eerste, tweede, derde vertakking in ampère (A)
Een apparaat aansluiten
De meeste apparaten sluit je met een stekker aan op het lichtnet. In het stopcontact loopt de
bruine draad (fasedraad) en de blauwe draad (nuldraad). Op de bruine draad staat
wisselspanning van 230 V. Op de blauwe draad staat geen spanning. Schakeldraad= van de
schakelaar naar de lamp. Op de schakeldraad staat alleen spanning als de schakelaar in de
AAN-stand staat. UIT- geen spanning bij de lamp.
Het vermogen van een apparaat
Op elk elektrisch apparaat is het vermogen vermeld, meestal samen met andere gegevens.
Het vermogen hangt af van twee factoren: de spanning (over het apparaat) en de
stroomsterkte (door het apparaat). Als de spanning verdubbelt, verdubbelt het vermogen ook.
Als de totale stroomsterkte verdubbelt, verdubbelt het vermogen ook. Als de spanning en het
vermogen verdubbelen, verdubbeld het vermogen vier keer. Het elektrische vermogen kun je
berekenen met de formule:
P= U I
P= vermogen in watt (W)
U= spanning in volt (V)