Tentamen Neuropsychologie (PABA3021)
2021-2022
Deel 1 – 40 Meerkeuzevragen
Antwoorden op de laatste pagina
Dit is deel 1 van het tentamen en bevat de meerkeuzevragen. Gebruik voor het beantwoorden van
de meerkeuzevragen het antwoordvel. Deel 2 bevat de open vraag en zit op een ander blad. In totaal
kun je 60 punten voor dit tentamen verdienen; 40 met de meerkeuzevragen en 20 voor de open
vraag. Voor een voldoende dient 40 punten gehaald te worden.
, 1. Wat is GEEN kenmerk van gedrag?
a. Heeft zowel een doel als een functie
b. Reactie op de omgeving
c. Het is aangeboren en automatisch
d. Bepaald door zenuwstelsel
2. Waar dacht men vóór Hippocrates dat gedachten en emoties zaten?
a. De frontale kwab
b. De hersenstam
c. Het hart
d. De ziel
3. Wat is geen determinant geweest voor het ontstaan van complexere breinen?
a. Mutaties in de genen
b. Omgevings-/overlevingsfactoren
c. Vettig voedsel
d. Verminderde neurale degradatie
4. Welk van onderstaande stellingen is waar?
a. Een dolfijn is, na correctie voor lichaamsgrootte, even slim als een mens.
b. Een man heeft grotere hersenen dan een vrouw.
c. Grotere hersenen correleren met meer intelligentie
d. Een groter lijf heeft grotere hersenen nodig.
2021-2022
Deel 1 – 40 Meerkeuzevragen
Antwoorden op de laatste pagina
Dit is deel 1 van het tentamen en bevat de meerkeuzevragen. Gebruik voor het beantwoorden van
de meerkeuzevragen het antwoordvel. Deel 2 bevat de open vraag en zit op een ander blad. In totaal
kun je 60 punten voor dit tentamen verdienen; 40 met de meerkeuzevragen en 20 voor de open
vraag. Voor een voldoende dient 40 punten gehaald te worden.
, 1. Wat is GEEN kenmerk van gedrag?
a. Heeft zowel een doel als een functie
b. Reactie op de omgeving
c. Het is aangeboren en automatisch
d. Bepaald door zenuwstelsel
2. Waar dacht men vóór Hippocrates dat gedachten en emoties zaten?
a. De frontale kwab
b. De hersenstam
c. Het hart
d. De ziel
3. Wat is geen determinant geweest voor het ontstaan van complexere breinen?
a. Mutaties in de genen
b. Omgevings-/overlevingsfactoren
c. Vettig voedsel
d. Verminderde neurale degradatie
4. Welk van onderstaande stellingen is waar?
a. Een dolfijn is, na correctie voor lichaamsgrootte, even slim als een mens.
b. Een man heeft grotere hersenen dan een vrouw.
c. Grotere hersenen correleren met meer intelligentie
d. Een groter lijf heeft grotere hersenen nodig.