Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Eigenrichting
• In een geschil je gelijk halen door zelf geweld te gebruiken
Þ Eigenrichting is niet geoorloofd. Waarom? De samenleving wordt dan een chaos
§ Toch kan er bij hoge uitzondering eigenrichting worden geoorloofd:
à Dit is het geval als de wet uitdrukkelijk in een bepaalde situatie de
bevoegdheid geeft tot eigenrichting (art. 5:44)
Organisatie rechtelijke macht
• Rechtelijke macht:
§ Hoge raad
§ Gerechtshoven
§ Rechtbanken
Doel van het recht
• Het recht stelt zich ten doel de samenleving rechtvaardig, vreedzaam en
efficiënt te ordenen
à Om de samenleving goed te ordenen stelt het recht een sanctie op, op het
niet-naleven van een rechtsregel
,Paragraaf 1.2
Objectief recht
• Omvat de rechtsregels die door de overheid zijn vastgesteld of erkend met het
doel de samenleving te ordenen en die gehandhaafd kunnen worden
Þ Kan ook wel worden aangeduid met positief of geldend recht
Onderscheid privaatrecht en publiekrecht
• Privaatrecht: de rechtsverhouding burger-burger à het individueel belang
staat centraal
• Publiekrecht: de rechtsverhouding overheid-burger à het algemeen belang
staat centraal
Privaatrecht
• Privaatrecht is het gedeelte van het objectieve recht dat zich bezighoudt met
de rechtsverhoudingen tussen burgers onderling
Þ Onder het begrip burgers (personen) verstaan wij:
§ Natuurlijke personen, de mens
§ Rechtspersonen, samenwerkings- of organisatievorm die door de wet eigen
rechten en plichten heeft gekregen. Art. 2:5
Publiekrecht
• Publiekrecht heeft betrekking op de rechtsverhouding tussen de overheid en
de burgers
Þ Staats- en bestuursrecht, strafrecht en het recht van de Europese Unie maken deel
uit van het publiekrecht
Onderscheid materieel recht en formeel recht
• Materieel recht: het materiële recht bevat de regels
• Formeel recht: het formele recht bevat hoe je de regels van het materiële
recht moet handhaven
, Paragraaf 1.3
Objectief recht
• Recht: het geheel van rechtsregels dat in NL op dit moment van kracht is
Subjectief recht
• Recht: de bevoegdheid die een persoon heeft tegenover één of meerdere
personen
Þ De dragers van het subjectieve recht zijn:
§ Rechtssubjecten
Rechtssubjecten
• Rechtsobjecten zijn dragers van rechten en plichten
Þ Deze worden verdeeld in twee groepen:
à Natuurlijke personen
à Rechtspersonen
Zaken
• Stoffelijke voorwerpen die voor menselijke beheersing vatbaar zijn, zoals:
huizen, fietsen en boeken
Rechtsobject
• Een voorwerp van recht, iets waarop rechtsregels van toepassing zijn en bij
betrokken kunnen worden
Ongeschreven en geschreven recht
• Recht omvat geschreven en ongeschreven rechtsregels
§ Geschreven rechtsregels: deze regels worden veelal aangeduid met “wet”
§ Ongeschreven rechtsregels: deze regels hebben ook rechtskracht, maar zij
gebaseerd op gewoonten
Dwingend recht
• Rechtsregels waarvan partijen niet mogen afwijken, op straffe van nietigheid
Þ Nietigheid: bepaling waaruit voortvloeit dat het beoogde rechtsgevolg niet intreedt.
Art 3:39 en 3:40
Aanvullend recht
• Rechtsregels die in het burgerlijk recht gelden, tenzij de partijen iets anders
hebben bedongen. Partijen mogen van het aanvullend recht afwijken
Semi-dwingend recht
• Het is toegestaan dat de partijen mogen afwijken van de rechtsregels, maar
binnen bepaalde door de wet gestelde grenzen