Recht rondom arbeid en sociale verzekeringen
Loonstra 2022 , 31ste editie
Schrijver: Eline Brussen
, Samenvatting Hoofdstukken Sociaal Recht
1.1 Oriëntatie
Onzelfstandige bevolking: Dit zijn mensen met een betaalde baan. De
werknemers zijn hierbij afhankelijk van de werkgever. Deze 7 miljoen mensen
worden verdeeld in drie groepen:
- Private sector: het deel van de onzelfstandige beroepsbevolking dat in de
marktsector werkzaam is. Alles wat in het bedrijfsleven valt.
- Publieke sector: het deel van de onzelfstandige beroepsbevolking dat bij
de overheid werkzaam is. (gemeente, provincie, departement)
- Semipublieke sector: het deel van de beroepsbevolking dat verbonden is
aan organisaties en instellingen die financieel van de overheid afhankelijk
zijn. (personeel in ziekenhuizen, verpleeghuizen, onderwijs, omroep en
woningcorporaties)
Zelfstandige beroepsbevolking: Deze mensen zijn tijdens de uitoefening van hun
werkzaamheden niet onderworpen aan opdrachten van anderen. De helft van
deze mensen is een zzp’er: deze mensen worden ook wel schijnzelfstandigen
genoemd, omdat ze voor opdrachten vaak maar afhankelijk zijn van 1
opdrachtgever. Dit maakt ze kwetsbaar. Ze krijgen meestal geen minimumloon
en ook geen ww-uitkering bij werkloosheid.
Sociaal recht/arbeidsrecht heeft betrekking onzelfstandige beroepsbevolking. Het
heeft dus betrekking op de rechtspositie van de werknemer (private), de
ambtenaar (publieke) en de werknemer in de semipublieke sector. Veel
ambtenaren krijgt sinds 1 januari 2020 geen bijzondere juridische behandeling
meer door de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren. Een aantal groepen
ambtenaren vallen niet onder het gewone arbeidsrecht, voor hun blijft de
bijzondere behandeling gelden. Dit zijn voor groepen zoals rechters en
medewerkers van politie en defensie.
Op de Wnra gelden wel uitzonderingen. Bijvoorbeeld de Wet normering
bezoldiging topfuntionaris (WNT). Deze wet bepaalt dat niemand in de publieke
en semipublieke sector meer per jaar mag verdienen dan een bepaald
maximumbedrag (niet meer dan 130 procent van het ministersalaris/ dit is de
balkenendenorm). Wet geldt niet in de private sector
1.2 Werkgever en werknemer: welke rechtsbronnen?
Het arbeidsrecht kent 6 rechtsbronnen, deze zijn:
1. het arbeidsovereenkomstenrecht;
Dit is het deel van het wetboek (titel 7:10 BW) dat betrekking heeft op de
arbeidsovereenkomst. Veel van het arbeidsrecht is te vinden in boek 7.
Belangrijke wetten die onderdeel van titel 7:10 BW zijn geworden zijn de wet
flexibiliteit en zekerheid (1999), de wet werk en zekerheid (2015) en de wet
arbeidsmarkt in balans (2020). Deze wetten staan niet op zichzelf, maar staan in
titel 7:10 BW.
Wet flexibiliteit en zekerheid:
, Doel – mogelijk maken voor werkgevers dat ze flexibeler en slagvaardiger over
personeel kunnen beschikken. / bepaalde kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt
(oproepkrachten en uitzendkrachten) extra bescherming bieden.
Wet werk en zekerheid (WWZ)
Deze wet wordt gezien als de meest belangrijke wijziging sinds de tweede
wereldoorlog. Deze wet moest een einde maken aan de ontwikkeling dat steeds
minder mensen een vast arbeidscontract krijgen, einde maken aan ongewenste
ontwikkelingen op het terrein van het ontslagrecht en de overheidsuitgaven
moesten worden teruggedrongen.
Wet arbeidsmarkt in balans (wab)
Met deze wet wil de werkgever niet gehaalde doelstellingen van de wwz alsnog
realiseren. Zo is er aandacht geschonken aan de versterking van de positie van
de oproepkracht.
2. het vermogensrecht in het algemeen;
De arbeidsovereenkomst is een obligatoire overeenkomst, oftewel een
verbintenis. Daarom wordt de arbeidsovereenkomst gesteund door de algemene
regels van het vermogensrecht.
3. overige wetten met betrekking tot de private sector;
4. de jurisprudentie;
Binnen het arbeidsrecht zelf worden specifiek twee vakbladen uitgegeven met
uitsluitend arbeidsrechtelijke uitspraken: Jurisprudentie Arbeidsrecht (JAR) en
Rechtspraak Arbeidsrecht (RAR). Het geheel van gepubliceerde uitspraken heet
jurisprudentie.
5. de cao (collectieve arbeidsovereenkomst);
In het CAO zijn heel veel belangrijke rechtsregels te vinden. CAO worden vaak
gesloten tussen individuele werkgever of één of meer werkgeversorganisaties
enerzijds, en vakbonden anderzijds. Cao-afspraken kunnen soms regels uit het
arbeidsovereenkomstenrecht aan de kant schuiven of bepalingen bevatten die
gunstiger zijn voor de werknemer. Ook kunnen er andere kwesties aan de orde
worden gesteld over bijvoorbeeld lonen, vakantie-verlofdagen of
opzeggingstermijnen bij ontslag.
6. het verdrag.
In titel 7:10 zijn bepalingen aan te treffen die daarin vanwege een EU-recht zijn
geimplemteerd. Twee voorbeelden zijn de informatieplicht van de werkgever
(art.7:655 BW) en de regeling van de overgang van onderneming (art. 7:662-
666a BW).
1.3 Van dwingend recht tot aanvullend recht
Er zijn 4 vormen van rechten:
- Dwingend recht: regels waarvan de werkgever en werknemer in het geheel
niet van mogen afwijken of niet ten nadele van de werknemer mogen
afwijken.