Thematoets 9
Communicatie
Hoofdstuk 2 professioneel communiceren met ouders
2.1 het communicatieproces
Bij communicatie is er sprake van interactie, een uitwisseling van informatie tussen een zender en
ontvanger. De directe interactie houdt in dat er sprake is van feedback (wisselwerking), oftewel
terugkoppeling van communicatie. Er ontstaan daarmee boodschappen (informatie) die over een
weer gaan. Reageert de ontvanger op de zender, dan wordt deze op zijn beurt weer zender, enz.
- zender start met communiceren, gebeurt met bepaalde bedoeling
- Coderen: zender vertaald informatie in bepaalde symbolen (taal=verbaal, gebaren=non-verbaal)
- Gebeurt dit niet duidelijk, dan ontstaan misverstanden
- Cultuur speelt grote rol —> niet overal het zelfde (bv. Ja knikken, kan nee betekenen…)
- decoderen: boodschap wordt door ontvanger ontcijferd
- Werkelijk anders, mensen die communiceren zijn gelijktijdig aan het zenden en aan het
ontvangen
- Verschillende communicatiekanalen: gesproken woord, geschreven woord, telefoon, internet,
mobiel…
2.2 Inhouds- en betrekkingsniveau
- inhoudsniveau van de communicatie: inhoud of de zakelijke informatie die je wilt overbrengen
- Betrekkingsniveau: relatie tussen leerkracht en ouder
- Overgrote deel communicatie is non-verbaal
2.3 verbale en non-verbale communicatie
- non-verbale communicatie speelt grotere rol dan verbale communicatie
- Via woorden (inhoudsniveau) is er de mogelijkheid om aan te geven wat er gezegd of bedoeld
wordt (betrekkingsniveau)
- Formele boodschap brengen moet ook op formele manier
- Informele boodschap kan ook ‘tussendoor’
- Verbaal en non-verbaal moet overeenkomen —> anders boodschap ongeloofwaardig
- Bij verbale communicatie wordt gebruikt gemaakt van metataal
- Woorden en zinnen die de werkelijke bedoelingen verhullen (Oomkes en Garner)
- Metataal verzacht de boodschap, geeft kans emoties te uiten zonder al te onaardig te
worden
- metataal vervult functie om het gesprek e ectief te laten verlopen.
- Relatie (betrekking) kan ermee worden onderhouden
- Maar kan e ectieve communicatie ook in de weg staan
2.4 Lagen binnen communicatie
- bij vrijwel elke bindschap is er sprake van een oproep —> er moet iets gedaan worden met de
boodschap
- In gesprek verschillende lagen (volgens Schultz von Thun 4), hieronder vanuit leerkracht
- Referentiële laag —> inhoud van boodschap die leerkracht wil overbrengen
- Relationele laag —> relatie, hoe ziet leerkracht ouder
- Expressieve laag —> hoe ziet leerkracht zichzelf? En wat wil hij laten zien hiervan aan
ouder?
- Appellerende laag —> wat wil de leerkracht dat de ouder (niet) gaat doen of voelt
- referentiële laag valt onder inhoudsniveau, andere 3 onder betrekkingsniveau en komt vooral
naar voren binnen de non-verbale communicatie
2.6 Storingen in de communicatie
- Ruis: tijdens proces van communiceren ontstaat er een storing —> communicatie loopt niet
zoals het zou moeten
- Verschillende voorbeelden van storingen zijn (gebaseerd op Dankers- van der Spek)
- Storing in de taal
- Slechte verstaanbaarheid
- Te veel informatie
BG 1
ff ff