Grondslagen van recht
Universiteit van Utrecht 2022
Week 1
Leerdoelen en vaardigheden
● ben je in staat om verschillende juridische kernbegrippen, indelingen en onderscheidingen te
benoemen en te herkennen in een concrete casus. Daarbij gaat het met name om:
● positief recht en wenselijk recht
● objectief recht en subjectief recht
● internationaal en nationaal recht
● publiek- en privaatrecht
● dwingend en aanvullend recht
● formeel en materieel recht
● heb je basale kennis verworven over enkele belangrijke kwesties die juristen verdeeld
houden. Deze kwesties worden in het vervolg van het vak verder uitgediept. Je wordt je ervan
bewust dat de meningen onder meer uiteenlopen waar het gaat om de verhouding tussen
recht enerzijds en moraal, beleid en politiek anderzijds
Drie perspectieven op recht en wetenschap
- Regels → De regeltjes die letterlijk in de wet staan.
- Idealen → Het gaat om de bedoeling achter de letter van de wet, het gaat om de
geest van de wet, de bedoeling.
- Praktische belangen → Het recht moet nut hebben voor de maatschappij.
Functies rechtssysteem
1. Het scheppen van sociale orde
2. Bevorderen van niet- gewelddadige conflictbeslechting
3. Garanderen van individuele ontplooiing en autonomie van burgers
4. Bewerkstelligen van een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van schaarse goederen
in de samenleving
5. Kanaliseren van sociale verandering
De staat heeft als belangrijkste functies wetgeving, bestuur en rechtspraak. De Nederlandse
staat is een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
, Begrippen
Materieel recht → Inhoudelijke inhoud van het recht.
Formeel recht → Dat regelt de uitvoering van het recht, die inhoudelijke normen.
Positief recht → Het recht dat is vastgesteld en/of erkend is en geldig op dit moment.
Wenselijk recht → Oftewel ideaal recht, het recht dat men wenst.
Objectief recht → Verzameling van alle geldende Nederlandse rechtsregels.
Subjectief recht → Dit recht geeft een 'mogen' aan, het komt toe aan een of meer personen,
zoals een eigendomsrecht. Anderen moeten het subjectieve recht respecteren.
Publiekrecht → Betrekking op verhouding tussen overheidsorganen onderling en tussen
overheidsorganen en burgers.
Privaatrecht → De juridische relaties tussen burgers.
Dwingend recht → Rechtsregels waar de betrokkenen niet van mogen afwijken.
Aanvullend recht → Rechtsregels waar betrokken juist wel van mogen afwijken, bijvoorbeeld
met een overeenkomst sluiten.
Gedragsnorm → Rechtsregel die een gedraging verbiedt, gebied of toestaat. Zijn doorgaans
gekoppeld aan dwang of straf.
Sanctienorm → De regel specificeert welke sanctie kan volgen op een overtreding van de
gedragsnorm.
Functioneel rechtsgebied → Betrekking op een bepaald (maatschappelijk belangrijk) thema
en regelt relaties tussen betrokkenen. Zoals sociaal recht (arbeidsrecht of milieurecht of
huurrecht etc).
Universiteit van Utrecht 2022
Week 1
Leerdoelen en vaardigheden
● ben je in staat om verschillende juridische kernbegrippen, indelingen en onderscheidingen te
benoemen en te herkennen in een concrete casus. Daarbij gaat het met name om:
● positief recht en wenselijk recht
● objectief recht en subjectief recht
● internationaal en nationaal recht
● publiek- en privaatrecht
● dwingend en aanvullend recht
● formeel en materieel recht
● heb je basale kennis verworven over enkele belangrijke kwesties die juristen verdeeld
houden. Deze kwesties worden in het vervolg van het vak verder uitgediept. Je wordt je ervan
bewust dat de meningen onder meer uiteenlopen waar het gaat om de verhouding tussen
recht enerzijds en moraal, beleid en politiek anderzijds
Drie perspectieven op recht en wetenschap
- Regels → De regeltjes die letterlijk in de wet staan.
- Idealen → Het gaat om de bedoeling achter de letter van de wet, het gaat om de
geest van de wet, de bedoeling.
- Praktische belangen → Het recht moet nut hebben voor de maatschappij.
Functies rechtssysteem
1. Het scheppen van sociale orde
2. Bevorderen van niet- gewelddadige conflictbeslechting
3. Garanderen van individuele ontplooiing en autonomie van burgers
4. Bewerkstelligen van een zo rechtvaardig mogelijke verdeling van schaarse goederen
in de samenleving
5. Kanaliseren van sociale verandering
De staat heeft als belangrijkste functies wetgeving, bestuur en rechtspraak. De Nederlandse
staat is een gedecentraliseerde eenheidsstaat.
, Begrippen
Materieel recht → Inhoudelijke inhoud van het recht.
Formeel recht → Dat regelt de uitvoering van het recht, die inhoudelijke normen.
Positief recht → Het recht dat is vastgesteld en/of erkend is en geldig op dit moment.
Wenselijk recht → Oftewel ideaal recht, het recht dat men wenst.
Objectief recht → Verzameling van alle geldende Nederlandse rechtsregels.
Subjectief recht → Dit recht geeft een 'mogen' aan, het komt toe aan een of meer personen,
zoals een eigendomsrecht. Anderen moeten het subjectieve recht respecteren.
Publiekrecht → Betrekking op verhouding tussen overheidsorganen onderling en tussen
overheidsorganen en burgers.
Privaatrecht → De juridische relaties tussen burgers.
Dwingend recht → Rechtsregels waar de betrokkenen niet van mogen afwijken.
Aanvullend recht → Rechtsregels waar betrokken juist wel van mogen afwijken, bijvoorbeeld
met een overeenkomst sluiten.
Gedragsnorm → Rechtsregel die een gedraging verbiedt, gebied of toestaat. Zijn doorgaans
gekoppeld aan dwang of straf.
Sanctienorm → De regel specificeert welke sanctie kan volgen op een overtreding van de
gedragsnorm.
Functioneel rechtsgebied → Betrekking op een bepaald (maatschappelijk belangrijk) thema
en regelt relaties tussen betrokkenen. Zoals sociaal recht (arbeidsrecht of milieurecht of
huurrecht etc).