Hoofdstuk 6 – Content and Language
Integrated Learning
6.1 Didactiek voor CLIL
6.1.1 Principes van taalgericht vakonderwijs en CLIL
Taalgericht vakonderwijs= onderwijs waarin expliciete vak- en taaldoelen worden gesteld, dat
contextrijk is, veel interactiemogelijkheden biedt en waarin taalsteun wordt geboden. CLIL is
hier een voorbeeld van.
CLIL:
- Leerlingen hebben een actieve rol
- Worden aangezet om veel te spreken en te schrijven
- Hun kennis van vakinhoud te verwerken en te delen met anderen.
CLIL- lessen geef je op dezelfde manier als je (zaak)vaklessen in het Nederlands geeft met
taalgericht onderwijs.
De drie pijlers van taalgericht vakonderwijs.
1. Interactie
2. Betekenisvolle context
3. Taalsteun
AD 1 interactie
Door interactie met de leerlingen stimuleer je hen om ideeën, vragen en bevindingen uit te
wisselen, onderling met jou en met anderen.
Zorg voor veel variatie tussen verwerkingsopdrachten (verwerking van de input) en
toepassingsopdachten (output). Zorg ook voor variatie in lezen, spreken, opzoeken en
schrijven.
AD 2 Betekenisvolle context
Voor het leren en begrijpen van vaktaal bied je een duidelijke context van niet-talige
informatie waarmee de leerlingen de vakinhoud kunnen begrijpen als hun talenkennis nog
beperkt is. Zie blz 153 figuur 6.1 Kwadrant van Cummings.
Je maakt een context betekenisvol door bijvoorbeeld: concrete voorwerken, films, verhalen
te gebruiken, verschillende tekstsoorten, ervaringen op te laten doen, internet enz.
AD 3 Taalsteun
Taalsteun= aanreiken van taal die de leerlingen nodig hebben om de vakinhoud te kunnen
begrijpen, voorbeelden:
- key words= belangrijkste leswoorden.
- Scaffolding= met taal tussenstapjes inbouwen voor leerlingen zodat ze de volgende
stap kunnen maken.
Je let vooral op de inhoud van wat ze zeggen en niet zo zeer op de correctheid. Maar laat
wel het gewenst resultaat horen en zien.
Ontwikkelingsgerichte feedback (vak en taal) heeft als doel de leerlingen te laten reflecteren
op het product en het proces.
6.1.2 Gebruik van sociale taal een abstracte taal
CLIL kent 2 soorten talen:
1. DAT: Dagelijks Algemeen Taalgebruik. Informele taal
2. CAT: Cognitief Academische Taalvaardigheid. Abstracte taal
Integrated Learning
6.1 Didactiek voor CLIL
6.1.1 Principes van taalgericht vakonderwijs en CLIL
Taalgericht vakonderwijs= onderwijs waarin expliciete vak- en taaldoelen worden gesteld, dat
contextrijk is, veel interactiemogelijkheden biedt en waarin taalsteun wordt geboden. CLIL is
hier een voorbeeld van.
CLIL:
- Leerlingen hebben een actieve rol
- Worden aangezet om veel te spreken en te schrijven
- Hun kennis van vakinhoud te verwerken en te delen met anderen.
CLIL- lessen geef je op dezelfde manier als je (zaak)vaklessen in het Nederlands geeft met
taalgericht onderwijs.
De drie pijlers van taalgericht vakonderwijs.
1. Interactie
2. Betekenisvolle context
3. Taalsteun
AD 1 interactie
Door interactie met de leerlingen stimuleer je hen om ideeën, vragen en bevindingen uit te
wisselen, onderling met jou en met anderen.
Zorg voor veel variatie tussen verwerkingsopdrachten (verwerking van de input) en
toepassingsopdachten (output). Zorg ook voor variatie in lezen, spreken, opzoeken en
schrijven.
AD 2 Betekenisvolle context
Voor het leren en begrijpen van vaktaal bied je een duidelijke context van niet-talige
informatie waarmee de leerlingen de vakinhoud kunnen begrijpen als hun talenkennis nog
beperkt is. Zie blz 153 figuur 6.1 Kwadrant van Cummings.
Je maakt een context betekenisvol door bijvoorbeeld: concrete voorwerken, films, verhalen
te gebruiken, verschillende tekstsoorten, ervaringen op te laten doen, internet enz.
AD 3 Taalsteun
Taalsteun= aanreiken van taal die de leerlingen nodig hebben om de vakinhoud te kunnen
begrijpen, voorbeelden:
- key words= belangrijkste leswoorden.
- Scaffolding= met taal tussenstapjes inbouwen voor leerlingen zodat ze de volgende
stap kunnen maken.
Je let vooral op de inhoud van wat ze zeggen en niet zo zeer op de correctheid. Maar laat
wel het gewenst resultaat horen en zien.
Ontwikkelingsgerichte feedback (vak en taal) heeft als doel de leerlingen te laten reflecteren
op het product en het proces.
6.1.2 Gebruik van sociale taal een abstracte taal
CLIL kent 2 soorten talen:
1. DAT: Dagelijks Algemeen Taalgebruik. Informele taal
2. CAT: Cognitief Academische Taalvaardigheid. Abstracte taal