Deel 1: na herfstexamen
------------------------------------------------------------------------------------------------------
--------------------
2.2 Menswetenschappen, natuurwetenschappen
• Mens = gn/ weinig wetmatigheden (natuur wel, vb: laat appel vallen)
o Zie Thomas-Theorema --> mens is onvoorspelbaar
• Menswetenschappen = probabilistische wetenschappen (wat is de kans dat...)
Er zijn gn wetten in sociologie => veel onzekerheden (wel patronen vinden)
• Natuurwetenschappen = veel wiskunde, grafieken en statistieken
o Connotatieve methodes (voor uitspraken)
Kwantitatieve methoden Kwalitatieve methoden/diepte-interview
• Enquêtes • Focusgroepsgesprek
• Experimenten • Participerende observatie
• Ambtelijke statistieken • Casestudy
Welke interpretatie ga je geven aan de situatie? • Actieonderzoek
Zo ga je ook gaan reageren!
Meest gebruikt in de sociologie Nt met cijfermateriaal, maar met citaten!
2.3 Wetenschapssociologie --> nt kennen!
2.4 Sociologische vragen en sociale problemen
• Sociologisch probleem
o Vloeit voort uit een sociologische theorie
o Er is een tegenstrijd tss theorie en waarnemingen, tss theoretische inzichten
o Voorbeeld met de bolognaise saus en de 4 kazen
• Sociaal probleem
o Vloeit voort uit de manier waarop onze maatschappij in elkaar zit
o Als SL het ziet als probleem, nt altijd in realiteit zo
o Criteria?
▪ Moet met waarden te maken hebben (waardenconflict)
▪ Betrekking op groot aantal mensen (nt individu)
▪ Staat nt op zichzelf, probleem verbonden met andere sociale problemen
▪ Nt snel oplosbaar, van lange duur
▪ Oorzaak nt te herleiden tot 1 persoon (wel gevolgen voor bepaalde mensen)
Relatie sociologisch/sociaal?
= definitiemacht wetenschappers? Benoeming van probleem --> kan uitgroeien tot sociaal probleem
(vb: ADHD)
Afname supportersgeweld bij voetbalmatchen? Sociaal probleem
Normen met betrekking tot zakgeld bij kinderen? Sociologisch probleem
Straalvliegtuig valt neer op woonhuis? Gn van beide --> eenmalige gebeurtenis