12.1 Voedingsstoffen
Begrippen:
Voedingsmiddelen: alles wat je eet of drinkt
Voedingsstoffen: bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
● Functies: bouwstoffen (voortgezette assimilatie), brandstoffen (dissimilatie),
reservestoffen, beschermende stoffen
Darmflora: darmbacteriën in dikke darm
Voedingsvezels: stoffen afkomstig uit celwanden van planten (= koolhydraten), die niet door
menselijke enzymen kunnen worden afgebroken, bestaande uit de celwanden
● Functie: darmwerking en stoelgang bevorderen (darmperistaltiek) + verzadigd gevoel
Cholesterol: vetachtige stof, die in de meeste weefsels en lichaamsvloeistoffen voorkomt en
een bestanddeel is van celmembranen
● Wordt aangemaakt door de lever en gebruikt bij productie van gal en hormonen
Vitaminen: organische stoffen die nodig zijn om processen in je lichaam goed te laten
verlopen
6 voedingsstoffen (bouwstoffen):
- Eiwitten
- Koolhydraten
- Vetten
- Water
- Mineralen
- Vitamines
Eiwitten (proteïnen)
Functie: bouwstof, brandstof, transport van stoffen, celcommunicatie. chemische reacties,
immuniteit en bloedstolling
Je hebt dierlijke of plantaardige eiwitten. Een overschot aan eiwitten wordt niet opgeslagen,
maar omgezet in glucose en verbrand!
2 typen aminozuren:
- Niet-essentiële aminozuren: aminozuur dat je zelf kan maken uit andere aminozuren
(lever)
● Lever zet overtollige aminozuren om in andere niet-essentiële aminozuren
door NH2- groep te verplaatsen (= transaminering)
- Essentiële aminozuren: aminozuur dat je via je voedsel moet binnen krijgen en niet
zelf kunt aanmaken
❖ Er bestaan maar 20 verschillende aminozuren.
❖ Aminozuren zijn de bouwstenen van onze eiwitten
Koolhydraten (sachariden)
Functie: brandstof, bouwstof voor DNA, ATP en in celmembranen
Overschot aan koolhydraten worden omgezet en opgeslagen in glycogeen in de lever en
spieren of in vet dat opgeslagen wordt onder de huid of rondom organen!
, Visceraal vet = vet rondom organen
Subcutaan vet = onderhuidse vet
1 gram koolhydraat = 17 kJ energie
Vetten (lipiden)
Functie: brandstof, bouwstof (fosfolipiden celmembraan), oplosmiddel voor vitaminen A, D, E
en K
2 soorten vetzuren:
- Onverzadigd vetzuur: vetzuur met minstens 1 dubbele
koolstofbinding
● Gezonde plantaardige vetten
- Verzadigd vetzuur: vetzuur, waarbij de C-atomen door enkele
bindingen met elkaar verbonden zijn
● Ongezonde dierlijke vetten
Vetten zijn opgebouwd uit:
- Glycerol
- 3 vetzuren
Samen vormen ze triglyceriden
● Essentiёle vetzuren en niet-essentiёle vetzuren
1 gram vet = 38 kJ energie
Vet bevat per gram meer energie dan een gram koolhydraat of een gram eiwit!
Overmaat aan vetten wordt opgeslagen onder de huid (subcutaan) en rondom organen
(visceraal)
Water
Functie: bouwstof in lichaamscellen
● Dient ook als oplosmiddel en transportmiddel en bepaalt samen met de opgeloste
stoffen de osmotische waarde van vloeistoffen in het lichaam
Mineralen (zouten)
Functie: bouwstof
● Kalk voor botten
● IJzer voor hemoglobine
● Fosfor voor ATP
Spoorelementen: mineralen die je slechts in geringe hoeveelheden nodig hebt
● Vaak bestanddelen van enzymen of hormonen