Introductie
Constraints led
approach =
mogelijkheden tot
variatie
1. Variatie in
omgeving
(zintuigelijke
informatie)
2. Variatie in taak
(het doel van de
beweging)
3. Variatie in
organisme
(lichaamseigen)
Bij driehoek 1 is een
succesvolle uitvoering
mogelijk.
Bij driehoek 2 en 3 is
een succesvolle
uitvoering NIET
mogelijk.
Variatie in omgeving bv. binnen of buiten sporten, andere
soort ondergrond, weersomstandigheden.
Variatie in organisme bv. de motivatie van het organisme,
kortere hamstrings dan iemand anders, verschil in
spiervezels enz.
Variatie in taak bv. gebruik van uitrusting (materiaal),
uitvoering individueel of met anderen, snel uitvoeren of
langzaam enz.
Het verschil tussen een skill en ability
Skill = een vaardigheid is ontwikkeld door training of ervaring, daarom
kunnen we onze vaardigheden ontwikkelen door overdracht van kennis
, Ability = abilities zijn de kwaliteiten en mogelijkheden om
iets te doen. Abilities zijn aangeboren en zijn meer stabiel
dan skills.
Het bijzondere karakter van sportspecifieke
krachttraining door de eis van transfer
Sensoriek
Bij sportspecifieke krachttraining staat de transfer naar de doelbeweging
(de competitiebeweging) centraal. Deze transfer verloop volgens in het
lerende systeem verankerde mechanismen.
De inschatting hoe een beweging zal verlopen en of dat verloop ‘haalbaar’
is voor ons lichaam, kan pas goed gemaakt worden als zowel het
motorische aspect als het sensorische aspect van de te maken beweging
wordt ingeschat. Dergelijke inschattingen maken we voortdurend: als we
van een muurtje springen, als we de straat op spurten om een
aankomende auto te vermijden om vervolgens snel af te remmen om niet
tegen een etalageruit aan te lopen, als we een zware tas via een trap naar
boven willen dragen enz. Bewegingspatronen moeten dus om goed te
kunnen functioneren in een wisselende omgeving als een sensomotorisch
totaal herkend worden; de beweging én de bijbehorende sensorische
informatie die door het bewegen vrijkomt.
Dit is een belangrijke constatering; als immers een vooroefening wat
betreft de bewegingen die gemaakt worden, veel lijkt op de te verbeteren
doelbeweging, maar sensorisch erg afwijkt van de doelbeweging, wordt de
verwantschap niet goed herkend door het bewegende systeem en zal er
weinig of geen transfer zijn.
Whole practice en part practice
Het is zinvol om oefenvormen te kiezen die zoveel mogelijk een
sensomotorische mix garanderen die lijkt op die van de doelbeweging.
Whole practice = een oefening waarbij de sensomotorische mix zoveel
mogelijk onveranderd blijft ten opzichte van de doelbeweging. Er wordt
geoefend met (sterk) vereenvoudigde varianten van de doelbeweging,
waarbij het totaalbeeld van de doelbeweging en de intentie van de
doelbeweging zoveel mogelijk intact blijven.
Part practice = de totaalbeweging wordt niet geoefend, maar slechts één
of een aantal onderdelen daarvan. Deze onderdelen worden uit de context
van de doelbeweging gehaald en apart geoefend.
Vaak wordt over het hoofd gezien dat de sensomotorische mix in part
practice mogelijk sterk verandert, omdat de sensorische informatie die bij
part pratice vrijkomt, vaak wezenlijk anders is dan de sensorische
informatie in de doelbeweging. De transfer van het deel naar het totaal zal
daarom bij part practice veel geringer zijn dan men inschat. In whole
practice wordt daarentegen als vanzelf een sensomotorische mix
gegarandeerd die relevant is voor de doelbeweging. Daarom heeft whole
practice de voorkeur in een training.