Samenvatting kaart en methode in de klas.
De inhoud van schoolaardrijkskunde wordt bepaald door;
Ontwikkelingen in de samenleving.
Ontwikkelingen in de pedagogie.
Ontwikkelingen in de wetenschappelijke geografie.
Er worden drie soorten aardrijkskunde van elkaar onderscheiden;
Systematische geografie, heeft als doel de leerlingen een geografisch wereldbeeld
bij te brengen. Het middel is geografische overzichtskennis zodat de leerlingen de
mogelijkheid hebben om nieuwe informatie te integreren.
Toegepaste geografie, heeft als doel de leerlingen inzicht te geven in ruimtelijke
vraagstukken. Het middel is de kennis van ruimtelijke vraagstukken, het stelt
leerlingen in staat om te zien hoe de wereld als ruimtelijk systeem functioneert.
Methodisch-geografische kennis, heeft als doel de leerlingen te leren om
zelfstandig aardrijkskundige kennis te verwerven en te verwerken. Het middel is
het geografisch denken en werken stelt de leerlingen in staat om kritisch om te
gaan met geografische informatie en om eigen kennis te construeren.
Didactiek is de leer van het onderwijzen. De didactiek van aardrijkskunde gaat over het
leren en onderwijzen van aardrijkskunde en vooral over de samenhang tussen het leren
en het onderwijzen. Daarbij zijn de volgende vragen belangrijk;
WAT moet je onderwijzen en WAAROM?
Dit zal altijd ter discussie blijven staan omdat de wereld constant veranderd. We
onderscheiden drie soorten kennis waarmee we de inhoud van
schoolaardrijkskunde kunnen ordenen.
, o Bij contextuele kennis gaat het om de onderwerpen en gebieden die
behandeld worden.
o Bij structurele kennis gaat het om de kernconcepten en methoden uit de
sociale en fysische geografie.
o Bij fundamentele kennis gaat het om feiten en opvattingen over hoe de
wereld in elkaar zit.
Wat wij weten over de aarde en de wereld vatten we samen in geografische
feiten, begrippen en regels. Dit is declaratieve kennis, declaratieve kennis is vaak
verbaal en bewust aanwezig.
Begrippen staan centraal in de mens en maatschappijvakken, begrippen zorgen ervoor
dat de dingen die je leert geordend in je hersens worden opgeslagen. We kennen
verschillende soorten begrippen;
Kwalitatieve of klassenbegrippen; deze begrippen hebben betrekking op een
verzameling verschijnselen met bepaalde gemeenschappelijke kenmerken. Zo
staat mobiliteit voor allerlei vormen van verplaatsing. Naarmate het aantal
beweringen dat op grond van relaties tussen klassen van verschijnselen kan
worden afgeleid groter is, wordt het begrip belangrijker.
Relatiebegrippen; hebben betrekking op de relatie tussen kenmerken van
verschijnselen. Zo geeft het begrip 'bevolkingsdichtheid' de relatie aan tussen
twee kenmerken van een gebied; de oppervlakte en het aantal inwoners.
Comparatieve begrippen; maken het mogelijk een rangorde aan te brengen op
basis van een bepaald kenmerk. Hoger, natter, verder en armer zijn voorbeelden
hiervan.
Kwantitatieve of metrische begrippen; verwijzen naar kenmerken die te meten
zijn. Grootte, afstand, oppervlakte en temperatuur zijn voorbeelden hiervan.
Of een begrip moeilijk te begrijpen, te herkennen en te ontdekken is voor een leerling
hangt af van twee aspecten;
De inhoud van schoolaardrijkskunde wordt bepaald door;
Ontwikkelingen in de samenleving.
Ontwikkelingen in de pedagogie.
Ontwikkelingen in de wetenschappelijke geografie.
Er worden drie soorten aardrijkskunde van elkaar onderscheiden;
Systematische geografie, heeft als doel de leerlingen een geografisch wereldbeeld
bij te brengen. Het middel is geografische overzichtskennis zodat de leerlingen de
mogelijkheid hebben om nieuwe informatie te integreren.
Toegepaste geografie, heeft als doel de leerlingen inzicht te geven in ruimtelijke
vraagstukken. Het middel is de kennis van ruimtelijke vraagstukken, het stelt
leerlingen in staat om te zien hoe de wereld als ruimtelijk systeem functioneert.
Methodisch-geografische kennis, heeft als doel de leerlingen te leren om
zelfstandig aardrijkskundige kennis te verwerven en te verwerken. Het middel is
het geografisch denken en werken stelt de leerlingen in staat om kritisch om te
gaan met geografische informatie en om eigen kennis te construeren.
Didactiek is de leer van het onderwijzen. De didactiek van aardrijkskunde gaat over het
leren en onderwijzen van aardrijkskunde en vooral over de samenhang tussen het leren
en het onderwijzen. Daarbij zijn de volgende vragen belangrijk;
WAT moet je onderwijzen en WAAROM?
Dit zal altijd ter discussie blijven staan omdat de wereld constant veranderd. We
onderscheiden drie soorten kennis waarmee we de inhoud van
schoolaardrijkskunde kunnen ordenen.
, o Bij contextuele kennis gaat het om de onderwerpen en gebieden die
behandeld worden.
o Bij structurele kennis gaat het om de kernconcepten en methoden uit de
sociale en fysische geografie.
o Bij fundamentele kennis gaat het om feiten en opvattingen over hoe de
wereld in elkaar zit.
Wat wij weten over de aarde en de wereld vatten we samen in geografische
feiten, begrippen en regels. Dit is declaratieve kennis, declaratieve kennis is vaak
verbaal en bewust aanwezig.
Begrippen staan centraal in de mens en maatschappijvakken, begrippen zorgen ervoor
dat de dingen die je leert geordend in je hersens worden opgeslagen. We kennen
verschillende soorten begrippen;
Kwalitatieve of klassenbegrippen; deze begrippen hebben betrekking op een
verzameling verschijnselen met bepaalde gemeenschappelijke kenmerken. Zo
staat mobiliteit voor allerlei vormen van verplaatsing. Naarmate het aantal
beweringen dat op grond van relaties tussen klassen van verschijnselen kan
worden afgeleid groter is, wordt het begrip belangrijker.
Relatiebegrippen; hebben betrekking op de relatie tussen kenmerken van
verschijnselen. Zo geeft het begrip 'bevolkingsdichtheid' de relatie aan tussen
twee kenmerken van een gebied; de oppervlakte en het aantal inwoners.
Comparatieve begrippen; maken het mogelijk een rangorde aan te brengen op
basis van een bepaald kenmerk. Hoger, natter, verder en armer zijn voorbeelden
hiervan.
Kwantitatieve of metrische begrippen; verwijzen naar kenmerken die te meten
zijn. Grootte, afstand, oppervlakte en temperatuur zijn voorbeelden hiervan.
Of een begrip moeilijk te begrijpen, te herkennen en te ontdekken is voor een leerling
hangt af van twee aspecten;