Inleiding tot de macro-economie: formularium
Hoofdstuk 20: het inkomen van een land
bbp berekenen kan op 3 manieren:
1. Productie: bbp =
2. Inkomen:
bbp = inkomen uit arbeid (lonen) + inkomen uit kapitaal (winst) + inkomen uit land (landrente)
= totaal inkomen
—> TW gaat naar het betalen van productiefactoren (lonen, winst, landrente)
3. Bestedingen: Y = C + I + G + NX
Nominaal bbp =
Reële bbp =
Bbp de ator: Pt = nom bbp / reële bbp
% groeivoet nom bbp = % groeivoet van reële bbp + % groeivoet Pt
Hoofdstuk 21: kosten van het levensonderhoud
CPI = (prijs mandje in jaar t / prijs mandje in basisjaar) x 100
In atiepercentage:
Bedrag indexeren: bedrag in prijzen van vandaag = bedrag in prijzen jaar t x CPI vandaag
Reële rentevoet = nominale rentevoet - in atie. (r = i - )
, Hoofdstuk 22: Groei op de lange termijn
Verdubbelingstijd: 70%
lineair verband tussen arbeidsproductiviteit (Y/L) en bbp per hoofd
—> productiefunctie: Y = A x f(L,K,H,N) (met constante schaalopbrengsten + marginaal product )
—> productiefunctie x constante factor 1/L :
Bbp per hoofd = reële bbp / totale bevolking
Bbp per arbeider = reële bbp / werkende bevolking
Hoofdstuk 23: arbeidsmarkt en werkloosheid
Beroepsbevolking = werkend + werkloos
Bevolking op arbeidsleeftijd = iedereen tussen 15 - 64 jaar (ook economisch inactief)
Werkloosheidspercentage = (aantal werklozen / beroepsbevolking) x 100 %
Activiteitsgraad = (beroepsbevolking / bevolking op arbeidsleeftijd) x 100%
Un = natuurlijke werkloosheid, lange termijn gemiddelde
Un = frictie werkloosheid + structurele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid = U - Un
Hoofdstuk 24: Sparen, investeren en het nanciële systeem
T (netto-belastingen) = belastingontvangsten - overdrachten overheid
Particulier sparen = Y - C - T
Overheidssparen = T - G
Nationaal sparen (S) = Sp + Sg
=Y-T-G+T-G=Y-C-G
Hoofdstuk 20: het inkomen van een land
bbp berekenen kan op 3 manieren:
1. Productie: bbp =
2. Inkomen:
bbp = inkomen uit arbeid (lonen) + inkomen uit kapitaal (winst) + inkomen uit land (landrente)
= totaal inkomen
—> TW gaat naar het betalen van productiefactoren (lonen, winst, landrente)
3. Bestedingen: Y = C + I + G + NX
Nominaal bbp =
Reële bbp =
Bbp de ator: Pt = nom bbp / reële bbp
% groeivoet nom bbp = % groeivoet van reële bbp + % groeivoet Pt
Hoofdstuk 21: kosten van het levensonderhoud
CPI = (prijs mandje in jaar t / prijs mandje in basisjaar) x 100
In atiepercentage:
Bedrag indexeren: bedrag in prijzen van vandaag = bedrag in prijzen jaar t x CPI vandaag
Reële rentevoet = nominale rentevoet - in atie. (r = i - )
, Hoofdstuk 22: Groei op de lange termijn
Verdubbelingstijd: 70%
lineair verband tussen arbeidsproductiviteit (Y/L) en bbp per hoofd
—> productiefunctie: Y = A x f(L,K,H,N) (met constante schaalopbrengsten + marginaal product )
—> productiefunctie x constante factor 1/L :
Bbp per hoofd = reële bbp / totale bevolking
Bbp per arbeider = reële bbp / werkende bevolking
Hoofdstuk 23: arbeidsmarkt en werkloosheid
Beroepsbevolking = werkend + werkloos
Bevolking op arbeidsleeftijd = iedereen tussen 15 - 64 jaar (ook economisch inactief)
Werkloosheidspercentage = (aantal werklozen / beroepsbevolking) x 100 %
Activiteitsgraad = (beroepsbevolking / bevolking op arbeidsleeftijd) x 100%
Un = natuurlijke werkloosheid, lange termijn gemiddelde
Un = frictie werkloosheid + structurele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid = U - Un
Hoofdstuk 24: Sparen, investeren en het nanciële systeem
T (netto-belastingen) = belastingontvangsten - overdrachten overheid
Particulier sparen = Y - C - T
Overheidssparen = T - G
Nationaal sparen (S) = Sp + Sg
=Y-T-G+T-G=Y-C-G