6 Thema B: Sociaal werk en opvoeding
6.1 Inleiding
Thema opvoeding en sociaal werk staan centraal – 2 verschillende zaken:
1) De manier waarop we als maatschappij interveniëren in de opvoeding van
kinderen en jongeren.
2) De manier waarin we opvoeding of pedagogische tussenkomsten als
interventie hanteren.
Tussenkomsten vanuit sociaal werk perspectief: tussenkomsten in de
opvoedingspraktijken.
Ook hangt het samen met de manier waarop we naar sociale problemen kijken.
We stellen de vraag, waar leggen we de oorzaken en oplossingen van problemen?
Eerst is er de opkomst van pedagogische processen als oplossing van sociale
problemen en ze komen op ten aanzien van gevaarlijke kinderen en van kinderen
in gevaar. Men intervenieerde meer in situaties. Een tweede aandachtspunt gaat
over hoe we tussenkomen, het idee van preventie. Namelijk beter voorkomen.
6.2 Kind in gevaar of als gevaar?
Het beeld kenmerkt zich door dubbelheid:
- De kinder- en jeugdtijd als levensfase gekenmerkt door vrijheid, fysieke
schoonheid en zorgloosheid niet ste eds strookt met de realiteit.
- We leven in een maatschappij die teveel eist van kinderen met het oog op het
latere succes.
- We maken ons zorgen om depressies en eetstoornissen bij kinderen kind
meer zien als patiënt.
- Linken van de jeugd aan normloosheid, vandalisme, … en criminalisering.
Kind/jongere in gevaar kinderen beschermen tegen de maatschappij.
Kind/jongere als gevaar de maatschappij beschermen tegen kinderen.
Voor beide situaties ligt de oplossing in de heropvoeding – we komen dus
tussen in het leven van kinderen en hun gezinnen.
Kindbeelden evolueren: Kind- en jeugdperiode wordt dan vooral gezien als
voorbereiden op het volwassen leven. Het kindbeeld beïnvloed onze omgang met
kinderen en jongeren.
Er zijn 2 types sociale problemen om een oplossing in heropvoeding te leggen. Er
zijn er 2 soorten in theorie: jongeren kunnen zowel slachtoffer als dader zijn
POS of MOF.
6.2.1 POS/VOS en MOF
De legitimatie van interventies in bijzondere jeugdzorg: de bijzondere jeugdzorg
komt dus tussen in het leven van kinderen, jongeren en hun gezinnen op gebied
van MOF of POS. De doelgroep van de bijzondere jeugdbijstand bestaat uit
kinderen, jongeren en hun gezinnen in een POS of die een MOF pleegden.
6.2.1.1 POS/VOS’ers – problematische
opvoedingssituatie/verontrustende situatie
1|Tthema B
, “een toestand waarin de fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of
sociale ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen, door
bijzondere gebeurtenissen (bv. Afbranden van huis), door relationele conflicten of
door de omstandigheden (bv. Armoede) waarin zij leven.”
Mensen in deze situatie kunnen beroep doen op de jeugdhulpverlening. Men
kan zo ook toegang krijgen tot de bijzondere en niet-rechtstreekse toegankelijke
jeugdhulpverlening via een toegangspoort, met name een comité voor bijzondere
jeugdzorg intersectorale toegangspoort OF jeugdrechtbank. Bij het 2de JRB
bevinden we zich in het gerechtelijk circuit en wordt de hulpverlening dwingend.
Deze toegangspoorten in het buitengerechtelijk circuit worden via een
intersectorale toegangspoort opgericht. Men kan doorverwijzen naar
hulpverlening, vrijwillige hulpverlening. Toestemming van de minderjarige houdt
in dat elke bekwame minderjarige moet instemmen met het hulpaanbod (vanaf
12jr vermoed bekwaam).
De toegangspoort via JRB is de hulpverlening binnen de bijzondere jeugdzorg en
kan worden opgelegd indien vrijwillige hulpverlening faalt of onmogelijk is in het
kader van POS. De JRB kreeg zo een subsidiaire rol binnen de bijzonder
jeugdzorg. Uitgangspunt is dat men eerst alle kansen voor vrijwillige
hulpverlening wil benutten.
6.2.1.2 MOF’ers – misdaad omschreven feit
Onderscheidt tussen:
- Verantwoordelijke strafbekwame meerderjarigen,
- Onverantwoordelijke niet-strafbekwame minderjarigen.
Deze kunnen voorkomen bij de jeugdrechtbank. Sinds de
kinderbeschermingswet van 1912 moeten minderjarigen hulp krijgen,
beschermd worden en heropgevoed worden. De jeugdrechter spreekt geen
straffen uit maar pedagogische maatregelen die hij kan opleggen. Er geldt geen
jeugdstrafrecht maar een beschermingsrecht. In 2006 werd de
Jeugdbeschermingswet van 1995 hervormd waarbij een compromis gezocht werd
voor deze verschillende standpunten.
De jeugdrechter beslist over een gedwongen pedagogische maatregel nadat de
procureur een bemiddeling heeft voorgesteld in het kader van een MOF of de
zaak doorgeeft aan de jeugdrechter. De sociale dienst van de jeugdrechtbank
doet een onderzoek naar de situatie en mede op basis van dit onderzoek maakt
de jeugdrechter een beslissing. Het beschermingsmodel voor jongeren die een
delict plegen was en is nog steeds een onderwerp van discussie:
• Strengere sanctionering,
• Jongeren moeten aangerichte schade herstellen
• Minderjarigen moet men beschermen.
2|Tthema B
6.1 Inleiding
Thema opvoeding en sociaal werk staan centraal – 2 verschillende zaken:
1) De manier waarop we als maatschappij interveniëren in de opvoeding van
kinderen en jongeren.
2) De manier waarin we opvoeding of pedagogische tussenkomsten als
interventie hanteren.
Tussenkomsten vanuit sociaal werk perspectief: tussenkomsten in de
opvoedingspraktijken.
Ook hangt het samen met de manier waarop we naar sociale problemen kijken.
We stellen de vraag, waar leggen we de oorzaken en oplossingen van problemen?
Eerst is er de opkomst van pedagogische processen als oplossing van sociale
problemen en ze komen op ten aanzien van gevaarlijke kinderen en van kinderen
in gevaar. Men intervenieerde meer in situaties. Een tweede aandachtspunt gaat
over hoe we tussenkomen, het idee van preventie. Namelijk beter voorkomen.
6.2 Kind in gevaar of als gevaar?
Het beeld kenmerkt zich door dubbelheid:
- De kinder- en jeugdtijd als levensfase gekenmerkt door vrijheid, fysieke
schoonheid en zorgloosheid niet ste eds strookt met de realiteit.
- We leven in een maatschappij die teveel eist van kinderen met het oog op het
latere succes.
- We maken ons zorgen om depressies en eetstoornissen bij kinderen kind
meer zien als patiënt.
- Linken van de jeugd aan normloosheid, vandalisme, … en criminalisering.
Kind/jongere in gevaar kinderen beschermen tegen de maatschappij.
Kind/jongere als gevaar de maatschappij beschermen tegen kinderen.
Voor beide situaties ligt de oplossing in de heropvoeding – we komen dus
tussen in het leven van kinderen en hun gezinnen.
Kindbeelden evolueren: Kind- en jeugdperiode wordt dan vooral gezien als
voorbereiden op het volwassen leven. Het kindbeeld beïnvloed onze omgang met
kinderen en jongeren.
Er zijn 2 types sociale problemen om een oplossing in heropvoeding te leggen. Er
zijn er 2 soorten in theorie: jongeren kunnen zowel slachtoffer als dader zijn
POS of MOF.
6.2.1 POS/VOS en MOF
De legitimatie van interventies in bijzondere jeugdzorg: de bijzondere jeugdzorg
komt dus tussen in het leven van kinderen, jongeren en hun gezinnen op gebied
van MOF of POS. De doelgroep van de bijzondere jeugdbijstand bestaat uit
kinderen, jongeren en hun gezinnen in een POS of die een MOF pleegden.
6.2.1.1 POS/VOS’ers – problematische
opvoedingssituatie/verontrustende situatie
1|Tthema B
, “een toestand waarin de fysieke integriteit, de affectieve, morele, intellectuele of
sociale ontplooiingskansen van minderjarigen in het gedrang komen, door
bijzondere gebeurtenissen (bv. Afbranden van huis), door relationele conflicten of
door de omstandigheden (bv. Armoede) waarin zij leven.”
Mensen in deze situatie kunnen beroep doen op de jeugdhulpverlening. Men
kan zo ook toegang krijgen tot de bijzondere en niet-rechtstreekse toegankelijke
jeugdhulpverlening via een toegangspoort, met name een comité voor bijzondere
jeugdzorg intersectorale toegangspoort OF jeugdrechtbank. Bij het 2de JRB
bevinden we zich in het gerechtelijk circuit en wordt de hulpverlening dwingend.
Deze toegangspoorten in het buitengerechtelijk circuit worden via een
intersectorale toegangspoort opgericht. Men kan doorverwijzen naar
hulpverlening, vrijwillige hulpverlening. Toestemming van de minderjarige houdt
in dat elke bekwame minderjarige moet instemmen met het hulpaanbod (vanaf
12jr vermoed bekwaam).
De toegangspoort via JRB is de hulpverlening binnen de bijzondere jeugdzorg en
kan worden opgelegd indien vrijwillige hulpverlening faalt of onmogelijk is in het
kader van POS. De JRB kreeg zo een subsidiaire rol binnen de bijzonder
jeugdzorg. Uitgangspunt is dat men eerst alle kansen voor vrijwillige
hulpverlening wil benutten.
6.2.1.2 MOF’ers – misdaad omschreven feit
Onderscheidt tussen:
- Verantwoordelijke strafbekwame meerderjarigen,
- Onverantwoordelijke niet-strafbekwame minderjarigen.
Deze kunnen voorkomen bij de jeugdrechtbank. Sinds de
kinderbeschermingswet van 1912 moeten minderjarigen hulp krijgen,
beschermd worden en heropgevoed worden. De jeugdrechter spreekt geen
straffen uit maar pedagogische maatregelen die hij kan opleggen. Er geldt geen
jeugdstrafrecht maar een beschermingsrecht. In 2006 werd de
Jeugdbeschermingswet van 1995 hervormd waarbij een compromis gezocht werd
voor deze verschillende standpunten.
De jeugdrechter beslist over een gedwongen pedagogische maatregel nadat de
procureur een bemiddeling heeft voorgesteld in het kader van een MOF of de
zaak doorgeeft aan de jeugdrechter. De sociale dienst van de jeugdrechtbank
doet een onderzoek naar de situatie en mede op basis van dit onderzoek maakt
de jeugdrechter een beslissing. Het beschermingsmodel voor jongeren die een
delict plegen was en is nog steeds een onderwerp van discussie:
• Strengere sanctionering,
• Jongeren moeten aangerichte schade herstellen
• Minderjarigen moet men beschermen.
2|Tthema B