Hoofdstuk Voeding
Paragraaf 2:
Alles wat een mens eet of drinkt zijn voedingsmiddelen. In voedingsmiddelen zitten
bepaalde voedingsstoffen. De belangrijkste zijn eiwitten, vetten, koolhydraten, water,
mineralen en vitaminen. Deze voedingsstoffen kunnen gebruikt worden als brandstof of als
bouwstof voor het lichaam.
Eiwitten:
Eiwitmoleculen zijn opgebouwd aan elkaar gekoppelde aminozuren. In het verteringsstelsel
worden deze aminozuren losgekoppeld en meegenomen door het bloed. Via het bloed
komen ze weer in andere organen terecht.
Essentiële aminozuren zijn eiwitten die perse uit het voedsel gehaal moeten worden, omdat
het lichaam deze niet zelf kan produceren.
Eiwitten zijn bouwstoffen voor het lichaam. Ze zorgen voor het cytoskelet van een cel, zijn
betrokken bij het transsport van stoffen, het overbrengen van signalen van de ene naar de
andere cel en bij een chemische reactie. Eiwitten kunnen worden omgezet in glucose.
Voedsel met veel eiwitten: ei, noten vlees en vis. 4
Koolhydraten:
Koolhydraten zijn belangrijke bouwstoffen van het lichaam. Door koolhydraten te eten kan het
grootste gedeelte van je hoeveelheid nodige energie worden voorzien. Een teveel van koolhydraten
wordt uiteindelijk omzet in vet onder de huid of rondom organen.
Ook kunnen koolhydraten een rol spelen als bouwstoffen. Een DNA-molecuul bevat bijvoorbeeld
monosacharide desoxytribose. Dit is gemaakt van koolhydraten.
Voedingsvezels zijn stoffen die niet door enzymen worden afgebroken. Deze worden uiteindelijk wel
deels afgebroken door bacteriën in de darmen. Voedingsvezels bevorderen de darmwerking en de
stoelgang.
Vetten:
Een vetmolecuul is opgebouwd uit een glycerolmolecuul en drie vetzuurmoleculen.
Onverzadigde vetten: bevatten niet alle waterstofatomen, waardoor de keten niet volledig recht
loopt.
Verzadigde vetten: bevatten het maximale aantal waterstofatomen en heeft dus wel een rechte
keten.
Cholesterol is vet dat voorkomt in celmembranen en in het bloedplasma. Dit wordt gemaakt door de
lever en een klein deel hiervan krijg je binnen via je voeding. Een grote hoeveelheid van verzadigde
Paragraaf 2:
Alles wat een mens eet of drinkt zijn voedingsmiddelen. In voedingsmiddelen zitten
bepaalde voedingsstoffen. De belangrijkste zijn eiwitten, vetten, koolhydraten, water,
mineralen en vitaminen. Deze voedingsstoffen kunnen gebruikt worden als brandstof of als
bouwstof voor het lichaam.
Eiwitten:
Eiwitmoleculen zijn opgebouwd aan elkaar gekoppelde aminozuren. In het verteringsstelsel
worden deze aminozuren losgekoppeld en meegenomen door het bloed. Via het bloed
komen ze weer in andere organen terecht.
Essentiële aminozuren zijn eiwitten die perse uit het voedsel gehaal moeten worden, omdat
het lichaam deze niet zelf kan produceren.
Eiwitten zijn bouwstoffen voor het lichaam. Ze zorgen voor het cytoskelet van een cel, zijn
betrokken bij het transsport van stoffen, het overbrengen van signalen van de ene naar de
andere cel en bij een chemische reactie. Eiwitten kunnen worden omgezet in glucose.
Voedsel met veel eiwitten: ei, noten vlees en vis. 4
Koolhydraten:
Koolhydraten zijn belangrijke bouwstoffen van het lichaam. Door koolhydraten te eten kan het
grootste gedeelte van je hoeveelheid nodige energie worden voorzien. Een teveel van koolhydraten
wordt uiteindelijk omzet in vet onder de huid of rondom organen.
Ook kunnen koolhydraten een rol spelen als bouwstoffen. Een DNA-molecuul bevat bijvoorbeeld
monosacharide desoxytribose. Dit is gemaakt van koolhydraten.
Voedingsvezels zijn stoffen die niet door enzymen worden afgebroken. Deze worden uiteindelijk wel
deels afgebroken door bacteriën in de darmen. Voedingsvezels bevorderen de darmwerking en de
stoelgang.
Vetten:
Een vetmolecuul is opgebouwd uit een glycerolmolecuul en drie vetzuurmoleculen.
Onverzadigde vetten: bevatten niet alle waterstofatomen, waardoor de keten niet volledig recht
loopt.
Verzadigde vetten: bevatten het maximale aantal waterstofatomen en heeft dus wel een rechte
keten.
Cholesterol is vet dat voorkomt in celmembranen en in het bloedplasma. Dit wordt gemaakt door de
lever en een klein deel hiervan krijg je binnen via je voeding. Een grote hoeveelheid van verzadigde