OH en NH hebben een polaire atoombinding.
De O/N trekt harder aan het gemeenschappelijk elektronenpaar. Daardoor krijgt O/N een ᵟ-
lading.
De H krijgt een ᵟ+ lading.
Als er een ᵟ+ en een ᵟ- lading is heet dat een apolaire atoombinding.
* H – H = Apolair (2 dezelfde)
H – I = Polair
N≡N = Apolair (2 dezelfde)
N – H = Polair
O – H = Polair
De N – H en O – H verbindingen leiden tot waterstof/H-bruggen.
Polaire stoffen = H-bruggen en vanderwaalsbindingen.
Apolaire stoffen = Vanderwaalsbindingen.
Waterstofbruggen tekenen
1. Teken je beginstof, maar teken de OH alvast uit elkaar.
2. Verbindt de O/H met de volgende O/H van de nieuwe stof en zet er een stippellijntje
tussen.
3. Teken de nieuwe stof aan de OH die je net met het stippellijntje hebt bevestigd.
Alleen de H aan een O of een N krijgt ᵟ+.
Hoe groter de molecuulmassa → Hoe groter de vanderwaalsbinding. → Hoe hoger het
kookpunt.
Structuurformules op volgorde van kookpunt zetten.
1. De OH weegt het zwaarst, omdat hier waterstofbruggen in zitten. → Hoogste
kookpunt.
2. Daarna komt de structuurformule met de langste C-keten.
3. Als laatste komt de formule met de kortste C-keten zonder OH.
Hydrofiel mengt met water, omdat de stof polair is. (OH/NH) mengt elkaar ook.
Hydrofoob mengt niet met water, omdat de stof apolair is, maar hydrofobe stoffen mengen
wel met andere hydrofobe stoffen.
Hydrofiel + Hydrofiel = Goed.
Hydrofoob + Hydrofoob = Goed.
Hydrofiel + Hydrofoob = Mengt niet.
Olie en vetten zijn apolair en dus hydrofoob. Als je deze toch met water wilt laten mengen
heb je een emulgator nodig.
Emulgator = Een hulpstof om hydrofiel en hydrofoob toch te laten mengen.