Hoofdstuk 1 bewegingen beschrijven
1.1 plaats bepalen
de plaats van een voorwerp is de afstand die het voorwerp heeft ten opzichte van een bepaald vast
punt. De verplaatsing is een verschil of verandering in plaats; de afstand tussen twee plaatsen waar
het voorwerp is geweest.
∆ x = x eind - xbegin BINAS TABEL 35A
De afgelegde weg os de afstand die je in totaal hebt afgelegd.
Er zijn verschillende methoden om de plaats of verplaatsing van bewegende voorwerpen te meten;
- tijdtikker elke seconde een aantal stippen op een strookje dat door de tikker gaat
- ultrasone afstandsmeter werkt met echolocatie
- videometen filmopname, zo kun je de plaats van het voorwerp zien op verschillende
tijdstippen
- stroboscopische foto lamp die regelmatig flitsen geeft. Je ziet meerdere ‘’foto’s in een’’
- lichtpoortje meet de tijd dat een voorwerp een bepaalde afstand aflegt.
1.2 snelheid; verandering van plaats
snelheid is de hoeveelheid verplaatsing per tijdseenheid
∆x
gemiddelde snelheid = vgem = BINAS
∆t
TABEL 35A
de instantane snelheid is de snelheid op een bepaald
punt. Deze is gelijk aan de helling van de x,t grafiek.
(raaklijn)
de helling van de raaklijn is gelijk aan de snelheid op
dat moment
is de raaklijn horizontaal dan is de snelheid 0 m/s
een beweging waarbij de snelheid constant is word
een eenparige beweging genoemd. V = V gem
1.3 eenheden en significante
cijfers
een eenheid is een gekozen maat om een grootheid in uit te drukken
vb. lengte (grootheid) in meter (eenheid)
significante cijfers delen en keer alle getallen
optellen en aftrekken aantal decimalen
let op ! kijk naar de gegeven getallen en niet naar degene die je hebt uitgerekend
, 1.4 verandering van snelheid
hoe de snelheid van een voorwerp in een bepaalde tijd veranderd noem je de versnellen
∆v
Agem = bij een eenparige versnelling geldt; a = a gem
∆t
als je ∆ v wilt uitrekenen gebruik je de snelheidsverandering; ∆ v = Veind – Vbegin
de versnelling geeft dus aan hoeveel de snelheid in 1 seconde toeneemt
bij afremmen gebruik je ook bovenstaande formules, je krijgt alleen een negatieve uitkomst
je kunt de versnelling op 3 manieren bepalen
∆v
- formules Agem =
∆t
- raaklijn de versnelling op een bepaald moment is gelijk aan de helling van de raaklijn aan de
grafiek in een (v,t) diagram.
- tabel
Een vrijeval is een valbeweging waarbij de luchtweerstand geen rol speelt. De versnelling hierbij
word de valversnelling genoemd g = 9,81 m/s
1.5 versnelling, snelheid en verplaatsing
een eenparige beweging = een beweging waarbij de snelheid constant is.
BINAS TABEL 35A
de oppervlakte onder een v,t diagram is
gelijk aan de verplaatsing
de oppervlakte onder een a,t diagram is gelijk aan de snelheidsverandering
voor een eenparige versnelde beweging geldt;
∆v
Agem = en v = a x t voorwerp vanuit stilstand, versnelling constant, begonnen en de t =
∆t
0
voor een eenparige versnelde beweging vanuit stilstand is de verplaatsing vanaf t = 0 geld;
1 2
∆ x=s= x a x t
2
verplaatsing berekenen
1. Verdeel het gebied zo goed mogelijk in rechthoeken en driehoeken
2. Bepaal van alle gebieden de oppervlakte
3. Bepaalde de totale oppervlakte
s = ½ x g x t2
1.1 plaats bepalen
de plaats van een voorwerp is de afstand die het voorwerp heeft ten opzichte van een bepaald vast
punt. De verplaatsing is een verschil of verandering in plaats; de afstand tussen twee plaatsen waar
het voorwerp is geweest.
∆ x = x eind - xbegin BINAS TABEL 35A
De afgelegde weg os de afstand die je in totaal hebt afgelegd.
Er zijn verschillende methoden om de plaats of verplaatsing van bewegende voorwerpen te meten;
- tijdtikker elke seconde een aantal stippen op een strookje dat door de tikker gaat
- ultrasone afstandsmeter werkt met echolocatie
- videometen filmopname, zo kun je de plaats van het voorwerp zien op verschillende
tijdstippen
- stroboscopische foto lamp die regelmatig flitsen geeft. Je ziet meerdere ‘’foto’s in een’’
- lichtpoortje meet de tijd dat een voorwerp een bepaalde afstand aflegt.
1.2 snelheid; verandering van plaats
snelheid is de hoeveelheid verplaatsing per tijdseenheid
∆x
gemiddelde snelheid = vgem = BINAS
∆t
TABEL 35A
de instantane snelheid is de snelheid op een bepaald
punt. Deze is gelijk aan de helling van de x,t grafiek.
(raaklijn)
de helling van de raaklijn is gelijk aan de snelheid op
dat moment
is de raaklijn horizontaal dan is de snelheid 0 m/s
een beweging waarbij de snelheid constant is word
een eenparige beweging genoemd. V = V gem
1.3 eenheden en significante
cijfers
een eenheid is een gekozen maat om een grootheid in uit te drukken
vb. lengte (grootheid) in meter (eenheid)
significante cijfers delen en keer alle getallen
optellen en aftrekken aantal decimalen
let op ! kijk naar de gegeven getallen en niet naar degene die je hebt uitgerekend
, 1.4 verandering van snelheid
hoe de snelheid van een voorwerp in een bepaalde tijd veranderd noem je de versnellen
∆v
Agem = bij een eenparige versnelling geldt; a = a gem
∆t
als je ∆ v wilt uitrekenen gebruik je de snelheidsverandering; ∆ v = Veind – Vbegin
de versnelling geeft dus aan hoeveel de snelheid in 1 seconde toeneemt
bij afremmen gebruik je ook bovenstaande formules, je krijgt alleen een negatieve uitkomst
je kunt de versnelling op 3 manieren bepalen
∆v
- formules Agem =
∆t
- raaklijn de versnelling op een bepaald moment is gelijk aan de helling van de raaklijn aan de
grafiek in een (v,t) diagram.
- tabel
Een vrijeval is een valbeweging waarbij de luchtweerstand geen rol speelt. De versnelling hierbij
word de valversnelling genoemd g = 9,81 m/s
1.5 versnelling, snelheid en verplaatsing
een eenparige beweging = een beweging waarbij de snelheid constant is.
BINAS TABEL 35A
de oppervlakte onder een v,t diagram is
gelijk aan de verplaatsing
de oppervlakte onder een a,t diagram is gelijk aan de snelheidsverandering
voor een eenparige versnelde beweging geldt;
∆v
Agem = en v = a x t voorwerp vanuit stilstand, versnelling constant, begonnen en de t =
∆t
0
voor een eenparige versnelde beweging vanuit stilstand is de verplaatsing vanaf t = 0 geld;
1 2
∆ x=s= x a x t
2
verplaatsing berekenen
1. Verdeel het gebied zo goed mogelijk in rechthoeken en driehoeken
2. Bepaal van alle gebieden de oppervlakte
3. Bepaalde de totale oppervlakte
s = ½ x g x t2