SECTIE 10: IMMUUNSYSTEEM
DEEL 1: BASIS AFWEER
Pathogeen: ziekteverwekker.
- Pathogeen kan op verschillende plekken in het weefsel komen:
o In cytoplasma van cel.
o In een endosoom van cel. Het komt in een blaasje terecht, binnen in de cel.
o Extracellulair, buiten de cel in ECM.
- Per soort ziekteverwekker zijn er verschillende vormen van afweer nodig.
o Tc - Virussen: worden bestreden door natural killer cellen en cytotoxische T-cellen.
▪ Die cellen hebben giftige stofjes die geïnfecteerde cel gericht kunnen doden via
apoptose.
o Th1 - Endosomale bacterie: macrofagen en fagocyten gaan bacterie fagocyteren en
vervolgens afbreken.
o Th2 - Multicellulaire parasiet: eosinofielen en basofiele granulocyten.
▪ Granulocyten: bevatten granula (→ soort ‘korrels’). Deze granula bevatten toxische
moleculen die ze kunnen afgeven, deze kunnen pathogeen afbreken.
o Th17 - Extracellulaire bacteriën/schimmels: neutrofiele granulocyten.
▪ 3 killing mechanismen:
• Fagocytose: net als macrofagen. Pathogeen opnemen in cel. Bacterie doden
met behulp van enzymen in lysosoom.
• Inhoud van granula uitspugen in omgeving waardoor killing van bacterie
plaatsvindt.
• NET: hele kern samen met inhoud lysosymen uit cel spugen. Pathogenen
raken gevangen in kluwen van dna en inhoud kern en gaat dood.
o NET: Neutrophil Extracellular Traps
117
,IMMUUNSYSTEEM: PATTERN RECOGNITION RECEPTORS (PRR)
Herkenning van pathogenen door signalerende receptoren: Pattern Recognition Receptors (PRR).
- Toll Like Receptoren (TLR): een groep van de PRR’s. Receptor die ziekteverwekker kan herkennen.
Homolymeer: 2 dezelfde haakjes.
Heterolymeer: 2 verschillende haakjes.
TLR4: Lipopolysaccharide zit in plasmamembraan.
IMMUUNSYSTEEM: DENDRITISCHE CELLEN
Dendritische cel: belangrijkste ‘antenne-cellen’, zorgen voor detecteren infectie.
- Met name op strategische plekken waar pathogenen binnen kunnen komen:
o Net onder epitheel huid: Langerhans cellen, dendritische in de epidermis, onder hoornlaag.
Herkennen antigenen van buitenaf.
▪ Deze hebben lange uitlopers, maken contact met elkaar waardoor het onmogelijk is
voor een pathogeen om binnen te dringen zonder opgemerkt te worden.
▪ Verschil macrofaag en Langerhans cel:
• Macrofaag: blijft in weefsel en scheidt stofjes uit om andere cellen naar zich
aan te trekken die de ziekteverwekker kunnen bestrijden.
• Dendritische cel zoals Langerhans cel: beweegt naar lymfeknoop toe om
het specifieke immuunsysteem te activeren.
o Net onder slijmvlies longen, darmen, etc.
- Dendritische cel is de verbinding tussen het aangeboren immuunsysteem (→ bijv. natural killer cellen)
en het adaptieve immuunsysteem (→ bijv. T-cellen en B-cellen die specifiek gericht zijn op
ziekteverwekker).
IMMUUNSYSTEEM: NATUURLIJKE AFWEER
T-cellen: worden gevormd in de thymus. Orgaan in buurt van hart, met als enige functie productie van T-cellen.
B-cellen: worden gevormd in het beenmerg. Komen terecht in lymfeknoop en wachten daar totdat ze worden
geactiveerd.
Via het afferente lymfatisch vat komen antigenen binnen, via het efferente lymfatisch vat gaan zowel B-cellen
als T-cellen eruit.
118
, DEEL 2: ONTSTEKING VS. INFECTIE
Ontsteking: lokale reactie op beschadiging. Kan alleen plaatsvinden in weefsel met genoeg bloed. Hoeft geen
infectie te zijn.
Steriele ontsteking: ontsteking zonder infectie en dus zonder ziekteverwekker.
Infectie: ziektewekker is aanwezig.
ONTSTEKING
- Typische kenmerken
o Rubor: roodheid
o Calor: warmte
o Dolor: pijn
o Tumor: zwelling
o Functio laesa: verlies van functie.
- Acuut: snel oplopende fase, gevolgd door snel neergaande fase, eindigend in een situatie die vrij gelijk
is aan de uitgangssituatie.
- Chronisch: langdurige ontsteking.
ONTSTEKING: COMPONENTEN
Componenten:
- Vasculaire component: lokaal toegenomen bloeding
- Exsudatieve component: lekkage van eiwitrijk vocht uit vaten
- Cellulaire component: aantrekken en activeren van leukocyten, vooral NG’s in acute fase.
- Proliferatieve component: weefsel-regeneratie, granulatieweefsel, genezing.
VASCULAIRE COMPONENT
Vasculaire component: lokaal toegenomen bloeding.
- Arteriolen geopend: actieve hyperaemie.
o Bij ontsteking gaan ze snel open: 10x zoveel bloed.
- Veneuze afvoer blijft achter: stuwing met passieve hyperaemie.
o Vertraging bloedstroom.
o De capillairen zitten vol met bloed:
119
DEEL 1: BASIS AFWEER
Pathogeen: ziekteverwekker.
- Pathogeen kan op verschillende plekken in het weefsel komen:
o In cytoplasma van cel.
o In een endosoom van cel. Het komt in een blaasje terecht, binnen in de cel.
o Extracellulair, buiten de cel in ECM.
- Per soort ziekteverwekker zijn er verschillende vormen van afweer nodig.
o Tc - Virussen: worden bestreden door natural killer cellen en cytotoxische T-cellen.
▪ Die cellen hebben giftige stofjes die geïnfecteerde cel gericht kunnen doden via
apoptose.
o Th1 - Endosomale bacterie: macrofagen en fagocyten gaan bacterie fagocyteren en
vervolgens afbreken.
o Th2 - Multicellulaire parasiet: eosinofielen en basofiele granulocyten.
▪ Granulocyten: bevatten granula (→ soort ‘korrels’). Deze granula bevatten toxische
moleculen die ze kunnen afgeven, deze kunnen pathogeen afbreken.
o Th17 - Extracellulaire bacteriën/schimmels: neutrofiele granulocyten.
▪ 3 killing mechanismen:
• Fagocytose: net als macrofagen. Pathogeen opnemen in cel. Bacterie doden
met behulp van enzymen in lysosoom.
• Inhoud van granula uitspugen in omgeving waardoor killing van bacterie
plaatsvindt.
• NET: hele kern samen met inhoud lysosymen uit cel spugen. Pathogenen
raken gevangen in kluwen van dna en inhoud kern en gaat dood.
o NET: Neutrophil Extracellular Traps
117
,IMMUUNSYSTEEM: PATTERN RECOGNITION RECEPTORS (PRR)
Herkenning van pathogenen door signalerende receptoren: Pattern Recognition Receptors (PRR).
- Toll Like Receptoren (TLR): een groep van de PRR’s. Receptor die ziekteverwekker kan herkennen.
Homolymeer: 2 dezelfde haakjes.
Heterolymeer: 2 verschillende haakjes.
TLR4: Lipopolysaccharide zit in plasmamembraan.
IMMUUNSYSTEEM: DENDRITISCHE CELLEN
Dendritische cel: belangrijkste ‘antenne-cellen’, zorgen voor detecteren infectie.
- Met name op strategische plekken waar pathogenen binnen kunnen komen:
o Net onder epitheel huid: Langerhans cellen, dendritische in de epidermis, onder hoornlaag.
Herkennen antigenen van buitenaf.
▪ Deze hebben lange uitlopers, maken contact met elkaar waardoor het onmogelijk is
voor een pathogeen om binnen te dringen zonder opgemerkt te worden.
▪ Verschil macrofaag en Langerhans cel:
• Macrofaag: blijft in weefsel en scheidt stofjes uit om andere cellen naar zich
aan te trekken die de ziekteverwekker kunnen bestrijden.
• Dendritische cel zoals Langerhans cel: beweegt naar lymfeknoop toe om
het specifieke immuunsysteem te activeren.
o Net onder slijmvlies longen, darmen, etc.
- Dendritische cel is de verbinding tussen het aangeboren immuunsysteem (→ bijv. natural killer cellen)
en het adaptieve immuunsysteem (→ bijv. T-cellen en B-cellen die specifiek gericht zijn op
ziekteverwekker).
IMMUUNSYSTEEM: NATUURLIJKE AFWEER
T-cellen: worden gevormd in de thymus. Orgaan in buurt van hart, met als enige functie productie van T-cellen.
B-cellen: worden gevormd in het beenmerg. Komen terecht in lymfeknoop en wachten daar totdat ze worden
geactiveerd.
Via het afferente lymfatisch vat komen antigenen binnen, via het efferente lymfatisch vat gaan zowel B-cellen
als T-cellen eruit.
118
, DEEL 2: ONTSTEKING VS. INFECTIE
Ontsteking: lokale reactie op beschadiging. Kan alleen plaatsvinden in weefsel met genoeg bloed. Hoeft geen
infectie te zijn.
Steriele ontsteking: ontsteking zonder infectie en dus zonder ziekteverwekker.
Infectie: ziektewekker is aanwezig.
ONTSTEKING
- Typische kenmerken
o Rubor: roodheid
o Calor: warmte
o Dolor: pijn
o Tumor: zwelling
o Functio laesa: verlies van functie.
- Acuut: snel oplopende fase, gevolgd door snel neergaande fase, eindigend in een situatie die vrij gelijk
is aan de uitgangssituatie.
- Chronisch: langdurige ontsteking.
ONTSTEKING: COMPONENTEN
Componenten:
- Vasculaire component: lokaal toegenomen bloeding
- Exsudatieve component: lekkage van eiwitrijk vocht uit vaten
- Cellulaire component: aantrekken en activeren van leukocyten, vooral NG’s in acute fase.
- Proliferatieve component: weefsel-regeneratie, granulatieweefsel, genezing.
VASCULAIRE COMPONENT
Vasculaire component: lokaal toegenomen bloeding.
- Arteriolen geopend: actieve hyperaemie.
o Bij ontsteking gaan ze snel open: 10x zoveel bloed.
- Veneuze afvoer blijft achter: stuwing met passieve hyperaemie.
o Vertraging bloedstroom.
o De capillairen zitten vol met bloed:
119