DEONTOLOGIE
1. SITUERING DEONTOLOGIE
1.1 SITUERING EN DUIDING VAN DEONTOLOGIE
Letterlijk: ‘plichtenleer’
> vanuit het Grieks: deon → ‘plicht’ + logos → ‘rede’
Is een ethische stroming die uitgaat van gedragsregels, er wordt ook wel gesproken over plichtethiek.
Verschillende filosofen liggen aan de basis van de deontologische strekkingen zoals we deze nu toepassen:
• Grondlegger utilisme: David Hume
• Grondlegger van normatieve ethiek: Immanuel Kant
• Deels filosofie van Bentham + koppelde er nog het liberalistisch gedachtengoed aan → John Stuart
Mill
1.1.1 GRONDLEGGER UTILISME: DAVID HUME
− Iemand verricht een goede handeling als deze bijdraagt aan het algemeen nut
Dat betekent het geluk en welzijn van alle mensen.
Doel: het grootst mogelijk geluk voor het grootst aantal mensen → bedoeling dat de wereld hiermee
een betere plek wordt. Doordat het niet gaat om goede handelingen, maar om het resultaat (grootste
geluk), is het een eenvoudig toepasbare regel. → hierdoor nooit meer twijfelen wanneer zich een
moreel dilemma voordoet
− Altruïsme: groothartigheid, zoveel mogelijk mensen gelukkig
− Resultaatsgericht
1.1.2 KRITIEK
− Lastig om te bepalen hoeveel geluk iets brengt
o Voor iedereen anders dus je kan de stelregels naar je hand zetten
− Daarnaast zorgt het meeste geluk voor de meeste mensen niet voor geluk bij individuen
→ Extreme acties, zoals slavernij, zou moraal goed zijn. Het levert immers geluk op voor meer mensen
dan dat het ongeluk oplevert voor de slaven.
1.1.3 DE GROOTST MOGELIJKE VRIJHEID EN VISIE VAN JOHN STUART MILL
• Een handeling is goed als de gevolgen ervan zorgen voor meer geluk in de wereld
• Mill koos ervoor om hier vrijheid aan toe te voegen. Hij ziet een verschil tussen sociaal moraal en
persoonlijk moraal. Het onderdeel vrijheid zag hij als voorwaarde van geluk. Hij stelde dat jouw
vrijheid slechts 1 grens kent en deze mag de vrijheid van een ander niet schaden of belemmeren.
• Hij zei dat geluk te berekenen is en dat er verschillende vormen van geluk zijn en dat zij verschillende
dingen kunnen opleveren
, 1.1.4 CRITERIA GELUK
• Het utilisme stelt dat geluk een som is van genot min pin
• Geluk op lange termijn is beter dan geluk op korte termijn
• Geestelijk geluk is beter dan lichamelijk geluk
1.1.5 BEHANDEL DE ANDER, ZOALS JE ZELF BEHANDELD WILT WORDEN
• Mill stelt dat goede dingen vanzelf ontstaan als een mens daar ruimte voor krijgt
→ daarom vindt hij vrijheid zo belangrijk
• Mensen moeten anderen behandelen zoals ze zelf behandeld willen worden → zo wordt de wereld
een betere plek
1.1.6 GRONDLEGGER NORMATIEVE ETHIEK: IMMANUEL KANT
− Filosofie heeft plichtethiek
− Hij wil dat je niet uit plicht handelt → want je maakt dan zelf geen keuze, maar doet iets omdat je
denkt dat het moet
Keuzes die je maakt, maak je omdat jij denkt dat ze nodig zijn → intrinsieke motivatie
1.1.7 AUTONOMIE EN REDELIJKHEID
Kant vindt autonomie het hoogste doel → mensen bepalen zelf hun eigen wetten aan de hand van een rede,
indien zonder rede: mensen doen waar ze zelf zin in hebben en dan wordt de wereld er niet beter op!
1.1.8 DRIE PRINCIPES WAAROP KANT ZIJN ETHIEK BASEERT
I. Een handeling heeft pas een morele waarde als deze als motivatie morele plicht heeft. Een persoon
handelt dus alleen moreel als deze dat vanuit de juiste redenen doet. Als je toevallig zin hebt om goed
te doen of omdat anderen dat van jou verwachten, handel je niet moreel volgens Kant.
II. De morele waarde van een handeling is afhankelijk van de regel die erachter zit. De waarde is dus niet
afhankelijk van het doel. Met de juiste morele regel zorg je dus voor morele waarde in jouw
handelingen.
III. Mensen zijn verplicht om zich te houden aan hun eigen morele wetten.
1.1.9 CATEGORISCH IMPERATIEF (CI)
• Als iemand geconfronteerd wordt met een moreel probleem, moet deze persoon redelijk nadenken
over de wet die hij zichzelf gaat opleggen. Wanneer hij deze regel in alle situaties toepast, is er sprake
van een categorisch imperatief. Uitzonderingen mogen hierop niet gemaakt worden!
Categorisch imperatief = een wet die je jezelf altijd oplegt in elke situatie
→ alleen dan kun je zeggen dat je echt moreel handelt
Moet voldoen aan enkele regels, als dit niet zo is is er geen sprake van een goed categorisch imperatief:
• Feiten en waarden:
Feiten = geven volgens Kant aan hoe de wereld op dat moment is
1. SITUERING DEONTOLOGIE
1.1 SITUERING EN DUIDING VAN DEONTOLOGIE
Letterlijk: ‘plichtenleer’
> vanuit het Grieks: deon → ‘plicht’ + logos → ‘rede’
Is een ethische stroming die uitgaat van gedragsregels, er wordt ook wel gesproken over plichtethiek.
Verschillende filosofen liggen aan de basis van de deontologische strekkingen zoals we deze nu toepassen:
• Grondlegger utilisme: David Hume
• Grondlegger van normatieve ethiek: Immanuel Kant
• Deels filosofie van Bentham + koppelde er nog het liberalistisch gedachtengoed aan → John Stuart
Mill
1.1.1 GRONDLEGGER UTILISME: DAVID HUME
− Iemand verricht een goede handeling als deze bijdraagt aan het algemeen nut
Dat betekent het geluk en welzijn van alle mensen.
Doel: het grootst mogelijk geluk voor het grootst aantal mensen → bedoeling dat de wereld hiermee
een betere plek wordt. Doordat het niet gaat om goede handelingen, maar om het resultaat (grootste
geluk), is het een eenvoudig toepasbare regel. → hierdoor nooit meer twijfelen wanneer zich een
moreel dilemma voordoet
− Altruïsme: groothartigheid, zoveel mogelijk mensen gelukkig
− Resultaatsgericht
1.1.2 KRITIEK
− Lastig om te bepalen hoeveel geluk iets brengt
o Voor iedereen anders dus je kan de stelregels naar je hand zetten
− Daarnaast zorgt het meeste geluk voor de meeste mensen niet voor geluk bij individuen
→ Extreme acties, zoals slavernij, zou moraal goed zijn. Het levert immers geluk op voor meer mensen
dan dat het ongeluk oplevert voor de slaven.
1.1.3 DE GROOTST MOGELIJKE VRIJHEID EN VISIE VAN JOHN STUART MILL
• Een handeling is goed als de gevolgen ervan zorgen voor meer geluk in de wereld
• Mill koos ervoor om hier vrijheid aan toe te voegen. Hij ziet een verschil tussen sociaal moraal en
persoonlijk moraal. Het onderdeel vrijheid zag hij als voorwaarde van geluk. Hij stelde dat jouw
vrijheid slechts 1 grens kent en deze mag de vrijheid van een ander niet schaden of belemmeren.
• Hij zei dat geluk te berekenen is en dat er verschillende vormen van geluk zijn en dat zij verschillende
dingen kunnen opleveren
, 1.1.4 CRITERIA GELUK
• Het utilisme stelt dat geluk een som is van genot min pin
• Geluk op lange termijn is beter dan geluk op korte termijn
• Geestelijk geluk is beter dan lichamelijk geluk
1.1.5 BEHANDEL DE ANDER, ZOALS JE ZELF BEHANDELD WILT WORDEN
• Mill stelt dat goede dingen vanzelf ontstaan als een mens daar ruimte voor krijgt
→ daarom vindt hij vrijheid zo belangrijk
• Mensen moeten anderen behandelen zoals ze zelf behandeld willen worden → zo wordt de wereld
een betere plek
1.1.6 GRONDLEGGER NORMATIEVE ETHIEK: IMMANUEL KANT
− Filosofie heeft plichtethiek
− Hij wil dat je niet uit plicht handelt → want je maakt dan zelf geen keuze, maar doet iets omdat je
denkt dat het moet
Keuzes die je maakt, maak je omdat jij denkt dat ze nodig zijn → intrinsieke motivatie
1.1.7 AUTONOMIE EN REDELIJKHEID
Kant vindt autonomie het hoogste doel → mensen bepalen zelf hun eigen wetten aan de hand van een rede,
indien zonder rede: mensen doen waar ze zelf zin in hebben en dan wordt de wereld er niet beter op!
1.1.8 DRIE PRINCIPES WAAROP KANT ZIJN ETHIEK BASEERT
I. Een handeling heeft pas een morele waarde als deze als motivatie morele plicht heeft. Een persoon
handelt dus alleen moreel als deze dat vanuit de juiste redenen doet. Als je toevallig zin hebt om goed
te doen of omdat anderen dat van jou verwachten, handel je niet moreel volgens Kant.
II. De morele waarde van een handeling is afhankelijk van de regel die erachter zit. De waarde is dus niet
afhankelijk van het doel. Met de juiste morele regel zorg je dus voor morele waarde in jouw
handelingen.
III. Mensen zijn verplicht om zich te houden aan hun eigen morele wetten.
1.1.9 CATEGORISCH IMPERATIEF (CI)
• Als iemand geconfronteerd wordt met een moreel probleem, moet deze persoon redelijk nadenken
over de wet die hij zichzelf gaat opleggen. Wanneer hij deze regel in alle situaties toepast, is er sprake
van een categorisch imperatief. Uitzonderingen mogen hierop niet gemaakt worden!
Categorisch imperatief = een wet die je jezelf altijd oplegt in elke situatie
→ alleen dan kun je zeggen dat je echt moreel handelt
Moet voldoen aan enkele regels, als dit niet zo is is er geen sprake van een goed categorisch imperatief:
• Feiten en waarden:
Feiten = geven volgens Kant aan hoe de wereld op dat moment is