Economie lesbrief Europa h1 t/m 5
H1:
Arbeidsmigratie: de trek naar een ander land om daar te gaan
werken. Dit zorgt ervoor dat het welvaartsniveau van dat land
stijgt. De gevolgen voor deze instroom voor de Nederlandse
economie kunnen zowel positief als negatief zijn.
Er is internationale handel, omdat landen bepaalde producten
niet zelf hebben. Deze zullen ze dan importeren.
Een open economie: als een land veel handelt met het
buitenland, dus veel importeert en exporteert, Nederland.
Export en import zijn groot vergeleken met het bruto
binnenlands product. Kleine landen hebben vaak een open
economie, omdat ze niet veel dingen zelf kunnen produceren.
Een gesloten economie: als een land nauwelijks handelt met het
buitenland, VS. Als de exportpositie van Nederland verandert,
heeft dat gevolgen voor de ontwikkelingen van de Nederlandse
economie.
De concurrentiepositie is heel belangrijk. De concurrentiepositie
van een bedrijf geeft de mate weer waarin dit bedrijf in staat is
om hetzelfde product beter en/of goedkoper te produceren dan
andere bedrijven. Dit wordt bepaald door:
Productiekosten, zoals loonkosten en machinekosten
De kwaliteit van de producten die een land maakt.
Import/export quote: waarde import/export: BBP x 100%
Internationale handel = internationale ruil
Landen importeren producten die goedkoper in andere landen
gemaakt kunnen worden ene exporteren producten die zij zelf
goedkoop kunnen maken. Als verschillende landen toeleggen
op de verschillende producten: arbeidsverdeling. Toenemende
specialisatie leidt tot meer internationale ruil.
Belangrijke oorzaken waarom landen zich specialiseren:
Natuurlijke omstandigheden
De loonkosten per product en de kwaliteit van de
producten
Infrastructuur
Stabiliteit
Natuurlijke omstandigheden:
Het klimaat speelt een rol bij het ontstaan van internationale
handel.
Loonkosten per product en de kwaliteit van de producten:
, Als de loonkosten in een land relatief laag zijn, kan een product
goedkoper gemaakt worden en dus tegen een lager prijs op de
markt worden gebracht. Hierbij gaat het vooral om de
loonkosten per product en de arbeidsproductiviteit: hoeveel een
werknemer produceert in een periode.
Arbeidsproductiviteit: productie: mensen
Loonkosten per eenheid per product: loonkosten: productie, dit
zegt alleen niks over hoe duur een land is.
Als de loonkosten per product stijgen en worden doorberekend
in de prijs gaat de internationale concurrentiepositie omlaag.
Hogere arbeidsproductiviteit door:
Hoge scholingsgraad van de beroepsbevolking
Technische ontwikkelingen door computersering en
automatisering
Lage productiekosten en goede kwaliteit komen door innovatie:
investering in betere en modernere kapitaalgoederen.
Infrastructuur:
Betere haven, wegen, luchthavens -> aanvoer van benodigde
grondstoffen of het overleg over de productie spoeler verlopen
en dat leidt tot lagere productiekosten.
Stabiliteit:
Veel stakingen leiden tot sociale onrust en productieverlies
waardoor het onzeker is of de grondstoffen op tijd geleverd
kunnen worden. Maatschappelijke tegenstellingen leiden tot
extra kosten.
Vrije internationale handel leidt ertoe dat landen datgene
produceren waar ze relatief goed in zijn. Dit leidt tot
specialisatie en arbeidsverdeling. De interne markt, zoals de
vrijehandel binnen Europese landen wordt genoemd, vergroot
concurrentie, efficiënte productiemethoden, lagere
productiekosten en lagere prijzen. Protectionisme: wanneer
landen of groepen landen de binnenlandse producenten
beschermen door subsidies te geven en het buitenlandse
producten van de binnenlandse markt weren met allerlei
maatregelen. Twee soorten maatregelen: tarifaire en non-
tarifaire
Tarifaire maatregelen:
Invoerrechten ofwel importheffingen, worden importproducten
belast met een heffing waardoor deze producten duurder op de
binnenlandse markt verschijnen.
H1:
Arbeidsmigratie: de trek naar een ander land om daar te gaan
werken. Dit zorgt ervoor dat het welvaartsniveau van dat land
stijgt. De gevolgen voor deze instroom voor de Nederlandse
economie kunnen zowel positief als negatief zijn.
Er is internationale handel, omdat landen bepaalde producten
niet zelf hebben. Deze zullen ze dan importeren.
Een open economie: als een land veel handelt met het
buitenland, dus veel importeert en exporteert, Nederland.
Export en import zijn groot vergeleken met het bruto
binnenlands product. Kleine landen hebben vaak een open
economie, omdat ze niet veel dingen zelf kunnen produceren.
Een gesloten economie: als een land nauwelijks handelt met het
buitenland, VS. Als de exportpositie van Nederland verandert,
heeft dat gevolgen voor de ontwikkelingen van de Nederlandse
economie.
De concurrentiepositie is heel belangrijk. De concurrentiepositie
van een bedrijf geeft de mate weer waarin dit bedrijf in staat is
om hetzelfde product beter en/of goedkoper te produceren dan
andere bedrijven. Dit wordt bepaald door:
Productiekosten, zoals loonkosten en machinekosten
De kwaliteit van de producten die een land maakt.
Import/export quote: waarde import/export: BBP x 100%
Internationale handel = internationale ruil
Landen importeren producten die goedkoper in andere landen
gemaakt kunnen worden ene exporteren producten die zij zelf
goedkoop kunnen maken. Als verschillende landen toeleggen
op de verschillende producten: arbeidsverdeling. Toenemende
specialisatie leidt tot meer internationale ruil.
Belangrijke oorzaken waarom landen zich specialiseren:
Natuurlijke omstandigheden
De loonkosten per product en de kwaliteit van de
producten
Infrastructuur
Stabiliteit
Natuurlijke omstandigheden:
Het klimaat speelt een rol bij het ontstaan van internationale
handel.
Loonkosten per product en de kwaliteit van de producten:
, Als de loonkosten in een land relatief laag zijn, kan een product
goedkoper gemaakt worden en dus tegen een lager prijs op de
markt worden gebracht. Hierbij gaat het vooral om de
loonkosten per product en de arbeidsproductiviteit: hoeveel een
werknemer produceert in een periode.
Arbeidsproductiviteit: productie: mensen
Loonkosten per eenheid per product: loonkosten: productie, dit
zegt alleen niks over hoe duur een land is.
Als de loonkosten per product stijgen en worden doorberekend
in de prijs gaat de internationale concurrentiepositie omlaag.
Hogere arbeidsproductiviteit door:
Hoge scholingsgraad van de beroepsbevolking
Technische ontwikkelingen door computersering en
automatisering
Lage productiekosten en goede kwaliteit komen door innovatie:
investering in betere en modernere kapitaalgoederen.
Infrastructuur:
Betere haven, wegen, luchthavens -> aanvoer van benodigde
grondstoffen of het overleg over de productie spoeler verlopen
en dat leidt tot lagere productiekosten.
Stabiliteit:
Veel stakingen leiden tot sociale onrust en productieverlies
waardoor het onzeker is of de grondstoffen op tijd geleverd
kunnen worden. Maatschappelijke tegenstellingen leiden tot
extra kosten.
Vrije internationale handel leidt ertoe dat landen datgene
produceren waar ze relatief goed in zijn. Dit leidt tot
specialisatie en arbeidsverdeling. De interne markt, zoals de
vrijehandel binnen Europese landen wordt genoemd, vergroot
concurrentie, efficiënte productiemethoden, lagere
productiekosten en lagere prijzen. Protectionisme: wanneer
landen of groepen landen de binnenlandse producenten
beschermen door subsidies te geven en het buitenlandse
producten van de binnenlandse markt weren met allerlei
maatregelen. Twee soorten maatregelen: tarifaire en non-
tarifaire
Tarifaire maatregelen:
Invoerrechten ofwel importheffingen, worden importproducten
belast met een heffing waardoor deze producten duurder op de
binnenlandse markt verschijnen.