ALGEMENE PSYCHOLOGIE
HOOFDSTUK 1: WAT IS PSYCHOLOGIE?
DEFINITIE VAN PSYCHOLOGIE
Psychologie is de wetenschap waarbij gedrag bestudeerd wordt en gedragsevidentie gebruikt wordt om interne
processen te begrijpen die ten grondslag liggen aan dat proces.
Ψ
Inzicht in gedrag → observeren en meten, maar ook theorieën opstellen over interne, onzichtbare
processen en motieven
Door systematische observatie van meetbare kenmerken (het gedrag) inzicht krijgen in processen die
niet rechtstreeks kunnen worden geobserveerd (intù
erne processen)
o Overeenkomst definitie β-wetenschappen (= natuurwetenschappen)
Dynamisch: onderzoek voortdurend vooruitgang → nauwkeuriger door betere technieken en methoden,
maar ook omdat men beter weet waar men naartoe moet kijken
Psychologie = oud onderwerp, maar een jonge wetenschap
ONTW IKKELINGEN DIE PSYCHOLOGIE M OGELIJ K HEBBEN GEM AAKT
1. Rede, intuïtie en geloof
Filosofie in het Oude Griekenland
Plato & Aristoteles
Plaats van de mens in het universum
Antwoorden oorsprong binnenin de mens → enige wezens met een rede die het mogelijk maakt om
realiteit te begrijpen (dieren onmogelijk)
o Plato: ideale wereld vs. zichtbare wereld
▪ Ziel kennis van ideale wereld → mens kennis verkrijgen door rede, echte kennis komt
voort uit de menselijke geest
▪ Observatie niet belangrijk → enkel toegang tot zichtbare wereld (sofa science)
▪ Wiskunde = ideale wetenschap (getallen onveranderlijk → ideaal)
o Aristoteles: ware kennis gebaseerd op axioma’s (= onbewezen stelling)
▪ Demonstratie: intuïtieve herkenning
▪ Obv menselijke rede de rest van kennis afleiden
▪ Wiskunde = ideale wetenschap
De kerk
Na val Romeinse Rijk → kerk belangrijkste bron van kennis
Filosofische geschriften herschrijven in functie van geloof en God
Nadenken, intuïtief aanvoelen & goddelijke ingevingen centraal
Macht kerk daalt door:
Herwaardering van de handel
Boekdrukkunst → info sneller verspreid
Ontdekkingsreizen → confrontatie met andere culturen
Oprichting universiteiten
Periode van relatie welvaart
…
→ wetenschappelijke revolutie
1
,2. wetenschappelijke revolutie
Nieuwe manier van denken
Europa (16e-17e eeuw): nieuwe, unieke vorm van kennisvergaring
Ware kennis gebaseerd op systematische observatie en actief ingrijpen in de wereld = wet. revolutie
Copernicaanse revolutie
Kalender loopt achter → eerst vaststelling die zorgde voor wetenschappelijke revolutie
Nieuw axioma: demonstratie dat de aarde stilstond in het centrum van het universum
Copernicus: veronderstelling dat niet alle hemellichamen rond de aarde draaien, maar dat de aarde rond
de zon draait
o Na dood aan het licht gekomen → tijden dat kerk nog grote invloed had
o Inzichten bleven grotendeels hypothetisch
Galilei: uitvinden van telescoop
o Copernicaans model verdedigen door reeks van nieuwe observaties
Newton: bewegingen van de planeten rond de zon adhv relatief eenvoudige wiskundige formules
o Wetten van Newton → algemeen beschouwd als begin fysica (= eerste natuurwetenschap)
→ copernicaanse revolutie = het inzicht dat de aarde niet het centrum vormt van het heelal
Nieuwe kennis uit observatie en experimenten
Kennis verzamelen → passieve observatie, experimenteren en gevolgen bestuderen
18e-19e eeuw: industriële revolutie (maatschappelijke verandering) & grotere welvaart
o Nieuwe wetenschap → chemie, biologie en geneeskunde ontstaan
3. groeiende macht van wetenschap & ontstaan twee culturen
Wetenschap meer invloed waar macht kerk sterk minder was
Nieuwe ontdekkingen belangrijke voordelen (handel en oorlog)
Universiteiten meer aandacht aan natuurwetenschappen
Twee culturen
Alfawetenschappen: klassieke, humanistische cultuur (geesteswetenschappen)
Ideaal: bestuderen en uitbreiden van bestaande cultuur en kunst
Bètawetenschappen: nieuwe, natuurwetenschappelijke cultuur (exacte wetenschappen)
Ideaal: volledige samenleving heringericht obv wetenschappelijke inzichten
Evolutietheorie ~ The origin of species (1859 – C. Darwin)
= Levende wezens zijn het resultaat van een aanpassingsproces aan veranderende omstandigheden
Genetische variatie binnen één soort
Natuurlijke selectie: eigenschappen die goed aansluiten bij de omgeving zorgen voor een betere
levenskwaliteit en veel nakomelingen, eigenschappen die niet goed aansluiten bij de omgeving zorgen
voor een bedreiging van de overlevings- en voortplantingskansen
Struggle for life/survival of the fittest: soorten die zich goed aanpassen aan een veranderende omgeving
hebben minder moeite met overleven en zullen makkelijker kunnen voortplanten dan soorten die zich
niet goed aanpassen aan de veranderende omgeving
o Experiment Grant: vinkenpopulatie eiland (droogteperiode → minder voedsel)
→ de mens is voortgekomen uit dieren en moet ook als dieren bestudeerd worden
Samenvatting
Ontwikkelingen die psychologie mogelijk gemaakt hebben:
Griekse filosofen (Plato & Aristoteles): menselijke rede belangrijker dan observatie
Kerk: geschriften vertalen naar kerkelijke leer
Wetenschappelijke revolutie: Copernicus, Galilei en Newton
Nieuwe culturen: alfa- en bètaculturen
2
Wet. vorm van kennisvergaring toegepast op psychisch functioneren van mensen
Evolutietheorie (Charles Darwin)
,ONTSTAAN VAN PSYCHOLOGIE
ONTW IKKELINGEN BINNEN DE FILOSOFIE (Φ)
Eerste wetenschappers waren de (natuur)filosofen
Descartes
Platonisch dualisme
Mensen bestaan uit twee onafhankelijke elementen: het lichaam en de geest (sluit aan bij visie van Plato)
Het lichaam = omhulsel van de geest, heeft hierop geen enkele invloed
De geest = heeft een vrije wil, vormt de kern van het menselijk denken
Mechanische visie
Lichaam als machine: onderworpen aan natuurwetten en kon bestudeerd worden (→ geest NIET!)
Deterministische, wiskundige wetten die invloed hebben op de wereld (vanuit fysica)
Loskomen van religie (→ geest NIET!)
Empirisme
Kennis (geest) niet aangeboren → komt voort uit zintuiglijke ervaringen en associaties van ideeën
Locke, tabula rasa (the blank slate): mensen worden geboren als een onbeschreven blad, zonder kennis,
vaardigheden, persoonlijkheid en volledig afhankelijk van waarnemingen en ervaringen om de geest te
vormen
Eind 18e eeuw: mentale fenomenen begrijpen vanuit mechanische principes
→ psychologie werd onderdeel van de filosofie
PSYCHOLOGIE ALS NIEUW E W ETENSCHAP
Eerste psychologische experimenten
Young: kleurenperceptie (RGB)
Studie planeten → natuurwetenschappelijke studie van de menselijke fout
Von Helmholtz: neurale transmissie (100km/u)
Weber & Fechner: psychofysica (JND)
Pioniers uit de lage landen
Quetelet (1e Gent): normaalverdeling van de individuele verschillen
Plateau: kleurperceptie, psychologische fysica
Donders: mentale chronometrie → mentale processen (niet observeerbaar), verwerkingstijd
o Stimulusdiscriminatie 46 ms(ki ki ki ki – ka ki ko ku)
o Responsselectie 42ms (ka ki ko ku – ka ki ko ku)
→ eind 19 eeuw: wetenschappelijke studie van gedrag EN mentale processen
e
Wundt – Leipzig (1879): eerste laboratorium voor psychologie
Eerste wetenschapper die zichzelf ‘psycholoog’ noemde (→maar medische opleiding, fysiologisch onderzoek)
Leipzig = eerste ‘laboratorium’
Fysiologische psychologie (een combinatie van fysiologische kenmerken en psychologische processen)
Nadenken over eigen psychische functioneren – proefopzet → sofa science – eenvoudige,
kwantificeerbare antwoorden
“Om die levensprocessen te onderzoeken die in het midden liggen tussen de externe en de interne ervaringen, en
dus de gelijktijdige toepassing vergen van beide observeermethoden, die externe en de interne… (deze nieuwe
wetenschap) begint met de fysiologische processen en probeert aan te tonen hoe deze het domein aan de interne
observatie beïnvloeden… als men de nadruk wil leggen op de methodologische kenmerken, dan zou men onze
wetenschap de experimentele psychologie kunnen noemen, ter onderscheid van de traditionele wetenschap van
de geest die volledig gebaseerd is op introspectie…”
3
, Binet & Simon – intelligentietest (HS 11)
Kinderen met leerachterstand → tekort aan intelligentie? Of helpen door meer onderwijs aan te bieden?
1. Meten van schedelomtrek (groot verstand = grote schedel)
2. Registreren van prestaties op eenvoudige waarnemingsproeven
→ resultaten kwamen niet overeen met oordeel van leerkracht
Nieuwe methode: kinderen een gedicht laten lezen dat ze zo goed mogelijk moeste onthouden. Daarna gedicht
opschrijven
→ grotere overeenkomst met oordeel van leerkracht
Zoeken naar soortgelijke opdrachten: onderscheid tussen kinderen die makkelijk leren en kinderen die
moeilijk leren → eerste (bruikbare) intelligentietest
→ 20e eeuw: gestaltpsychologie → bewuste waarnemingen vs. stimulus elementen
Waarnemingen volgens gehelen / gestalten verschillen van reeks onafhankelijke sensaties
Theoretische impact beperkt (wel: interactie tussen processen)
Bottom up vs. top-down
o Bottom up: kleine oplossingen zoeken om uiteindelijk het grote probleem op te lossen
o Top-down: grote probleem oplossen door op te splitsen in kleinere problemen en daarvoor een
oplossing voor te zoeken
Behaviorisme – Watson
= studie van stimulus → reactie
Evolutietheorie & functionalisme → meer interesse in gedrag
Enkel onderzoeken van direct observeerbaar, meetbaar gedrag
o Geen introspectie → subjectief!
Gedrag van mensen en dieren bestuderen om na te gaan onder welke omstandigheden iets geleerd werd
“ ik geloof dat het mogelijk is om een psychologie te schrijven, deze te definiëren als de wetenschap van het
gedrag, en die definitie nooit meer te herroepen: zonder gebruik te maken van termen als bewustzijn, mentale
toestand, introspectief verifieerbaar, verbeelding en dergelijke meer. “
Methode (geïnspireerd door positivisme: natuurwetenschap meest succesvol om wereld te begrijpen en kennis op
te doen)
Kennis uit directe observaties → repliceerbaar → operationele definitie
o Termen van gebruikte meetprocessen
o Zo concreet mogelijke begrippen
▪ Voorbeeld: honger (mensen: gevoel zoals beschreven in woordenboek /
wetenschapper: gevoel = subjectief → aantal uren dat persoon niet gegeten heeft)
Onafhankelijke vs. afhankelijke variabelen (S-R psychologie)
o Onafhankelijk: karakteristieken van de situatie werken in op gedrag van persoon/dier
(manipuleerbaar)
o Afhankelijk: gedragingen dier/persoon (meten om te zien of onafhankelijke variabele een
effect had)
Wetenschappelijke theorie: beschrijven van relatie tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen
o In vorm van wiskundige wet
Bewustzijn → valt buiten studiegebied (blackbox: er kan alleen naar waarneembaar gedrag gekeken worden)
Skinner: mentale processen bestaan niet
Onderzoek: manier waarop gedrag verandert onder invloed van ondervinding → leerprocessen
4
HOOFDSTUK 1: WAT IS PSYCHOLOGIE?
DEFINITIE VAN PSYCHOLOGIE
Psychologie is de wetenschap waarbij gedrag bestudeerd wordt en gedragsevidentie gebruikt wordt om interne
processen te begrijpen die ten grondslag liggen aan dat proces.
Ψ
Inzicht in gedrag → observeren en meten, maar ook theorieën opstellen over interne, onzichtbare
processen en motieven
Door systematische observatie van meetbare kenmerken (het gedrag) inzicht krijgen in processen die
niet rechtstreeks kunnen worden geobserveerd (intù
erne processen)
o Overeenkomst definitie β-wetenschappen (= natuurwetenschappen)
Dynamisch: onderzoek voortdurend vooruitgang → nauwkeuriger door betere technieken en methoden,
maar ook omdat men beter weet waar men naartoe moet kijken
Psychologie = oud onderwerp, maar een jonge wetenschap
ONTW IKKELINGEN DIE PSYCHOLOGIE M OGELIJ K HEBBEN GEM AAKT
1. Rede, intuïtie en geloof
Filosofie in het Oude Griekenland
Plato & Aristoteles
Plaats van de mens in het universum
Antwoorden oorsprong binnenin de mens → enige wezens met een rede die het mogelijk maakt om
realiteit te begrijpen (dieren onmogelijk)
o Plato: ideale wereld vs. zichtbare wereld
▪ Ziel kennis van ideale wereld → mens kennis verkrijgen door rede, echte kennis komt
voort uit de menselijke geest
▪ Observatie niet belangrijk → enkel toegang tot zichtbare wereld (sofa science)
▪ Wiskunde = ideale wetenschap (getallen onveranderlijk → ideaal)
o Aristoteles: ware kennis gebaseerd op axioma’s (= onbewezen stelling)
▪ Demonstratie: intuïtieve herkenning
▪ Obv menselijke rede de rest van kennis afleiden
▪ Wiskunde = ideale wetenschap
De kerk
Na val Romeinse Rijk → kerk belangrijkste bron van kennis
Filosofische geschriften herschrijven in functie van geloof en God
Nadenken, intuïtief aanvoelen & goddelijke ingevingen centraal
Macht kerk daalt door:
Herwaardering van de handel
Boekdrukkunst → info sneller verspreid
Ontdekkingsreizen → confrontatie met andere culturen
Oprichting universiteiten
Periode van relatie welvaart
…
→ wetenschappelijke revolutie
1
,2. wetenschappelijke revolutie
Nieuwe manier van denken
Europa (16e-17e eeuw): nieuwe, unieke vorm van kennisvergaring
Ware kennis gebaseerd op systematische observatie en actief ingrijpen in de wereld = wet. revolutie
Copernicaanse revolutie
Kalender loopt achter → eerst vaststelling die zorgde voor wetenschappelijke revolutie
Nieuw axioma: demonstratie dat de aarde stilstond in het centrum van het universum
Copernicus: veronderstelling dat niet alle hemellichamen rond de aarde draaien, maar dat de aarde rond
de zon draait
o Na dood aan het licht gekomen → tijden dat kerk nog grote invloed had
o Inzichten bleven grotendeels hypothetisch
Galilei: uitvinden van telescoop
o Copernicaans model verdedigen door reeks van nieuwe observaties
Newton: bewegingen van de planeten rond de zon adhv relatief eenvoudige wiskundige formules
o Wetten van Newton → algemeen beschouwd als begin fysica (= eerste natuurwetenschap)
→ copernicaanse revolutie = het inzicht dat de aarde niet het centrum vormt van het heelal
Nieuwe kennis uit observatie en experimenten
Kennis verzamelen → passieve observatie, experimenteren en gevolgen bestuderen
18e-19e eeuw: industriële revolutie (maatschappelijke verandering) & grotere welvaart
o Nieuwe wetenschap → chemie, biologie en geneeskunde ontstaan
3. groeiende macht van wetenschap & ontstaan twee culturen
Wetenschap meer invloed waar macht kerk sterk minder was
Nieuwe ontdekkingen belangrijke voordelen (handel en oorlog)
Universiteiten meer aandacht aan natuurwetenschappen
Twee culturen
Alfawetenschappen: klassieke, humanistische cultuur (geesteswetenschappen)
Ideaal: bestuderen en uitbreiden van bestaande cultuur en kunst
Bètawetenschappen: nieuwe, natuurwetenschappelijke cultuur (exacte wetenschappen)
Ideaal: volledige samenleving heringericht obv wetenschappelijke inzichten
Evolutietheorie ~ The origin of species (1859 – C. Darwin)
= Levende wezens zijn het resultaat van een aanpassingsproces aan veranderende omstandigheden
Genetische variatie binnen één soort
Natuurlijke selectie: eigenschappen die goed aansluiten bij de omgeving zorgen voor een betere
levenskwaliteit en veel nakomelingen, eigenschappen die niet goed aansluiten bij de omgeving zorgen
voor een bedreiging van de overlevings- en voortplantingskansen
Struggle for life/survival of the fittest: soorten die zich goed aanpassen aan een veranderende omgeving
hebben minder moeite met overleven en zullen makkelijker kunnen voortplanten dan soorten die zich
niet goed aanpassen aan de veranderende omgeving
o Experiment Grant: vinkenpopulatie eiland (droogteperiode → minder voedsel)
→ de mens is voortgekomen uit dieren en moet ook als dieren bestudeerd worden
Samenvatting
Ontwikkelingen die psychologie mogelijk gemaakt hebben:
Griekse filosofen (Plato & Aristoteles): menselijke rede belangrijker dan observatie
Kerk: geschriften vertalen naar kerkelijke leer
Wetenschappelijke revolutie: Copernicus, Galilei en Newton
Nieuwe culturen: alfa- en bètaculturen
2
Wet. vorm van kennisvergaring toegepast op psychisch functioneren van mensen
Evolutietheorie (Charles Darwin)
,ONTSTAAN VAN PSYCHOLOGIE
ONTW IKKELINGEN BINNEN DE FILOSOFIE (Φ)
Eerste wetenschappers waren de (natuur)filosofen
Descartes
Platonisch dualisme
Mensen bestaan uit twee onafhankelijke elementen: het lichaam en de geest (sluit aan bij visie van Plato)
Het lichaam = omhulsel van de geest, heeft hierop geen enkele invloed
De geest = heeft een vrije wil, vormt de kern van het menselijk denken
Mechanische visie
Lichaam als machine: onderworpen aan natuurwetten en kon bestudeerd worden (→ geest NIET!)
Deterministische, wiskundige wetten die invloed hebben op de wereld (vanuit fysica)
Loskomen van religie (→ geest NIET!)
Empirisme
Kennis (geest) niet aangeboren → komt voort uit zintuiglijke ervaringen en associaties van ideeën
Locke, tabula rasa (the blank slate): mensen worden geboren als een onbeschreven blad, zonder kennis,
vaardigheden, persoonlijkheid en volledig afhankelijk van waarnemingen en ervaringen om de geest te
vormen
Eind 18e eeuw: mentale fenomenen begrijpen vanuit mechanische principes
→ psychologie werd onderdeel van de filosofie
PSYCHOLOGIE ALS NIEUW E W ETENSCHAP
Eerste psychologische experimenten
Young: kleurenperceptie (RGB)
Studie planeten → natuurwetenschappelijke studie van de menselijke fout
Von Helmholtz: neurale transmissie (100km/u)
Weber & Fechner: psychofysica (JND)
Pioniers uit de lage landen
Quetelet (1e Gent): normaalverdeling van de individuele verschillen
Plateau: kleurperceptie, psychologische fysica
Donders: mentale chronometrie → mentale processen (niet observeerbaar), verwerkingstijd
o Stimulusdiscriminatie 46 ms(ki ki ki ki – ka ki ko ku)
o Responsselectie 42ms (ka ki ko ku – ka ki ko ku)
→ eind 19 eeuw: wetenschappelijke studie van gedrag EN mentale processen
e
Wundt – Leipzig (1879): eerste laboratorium voor psychologie
Eerste wetenschapper die zichzelf ‘psycholoog’ noemde (→maar medische opleiding, fysiologisch onderzoek)
Leipzig = eerste ‘laboratorium’
Fysiologische psychologie (een combinatie van fysiologische kenmerken en psychologische processen)
Nadenken over eigen psychische functioneren – proefopzet → sofa science – eenvoudige,
kwantificeerbare antwoorden
“Om die levensprocessen te onderzoeken die in het midden liggen tussen de externe en de interne ervaringen, en
dus de gelijktijdige toepassing vergen van beide observeermethoden, die externe en de interne… (deze nieuwe
wetenschap) begint met de fysiologische processen en probeert aan te tonen hoe deze het domein aan de interne
observatie beïnvloeden… als men de nadruk wil leggen op de methodologische kenmerken, dan zou men onze
wetenschap de experimentele psychologie kunnen noemen, ter onderscheid van de traditionele wetenschap van
de geest die volledig gebaseerd is op introspectie…”
3
, Binet & Simon – intelligentietest (HS 11)
Kinderen met leerachterstand → tekort aan intelligentie? Of helpen door meer onderwijs aan te bieden?
1. Meten van schedelomtrek (groot verstand = grote schedel)
2. Registreren van prestaties op eenvoudige waarnemingsproeven
→ resultaten kwamen niet overeen met oordeel van leerkracht
Nieuwe methode: kinderen een gedicht laten lezen dat ze zo goed mogelijk moeste onthouden. Daarna gedicht
opschrijven
→ grotere overeenkomst met oordeel van leerkracht
Zoeken naar soortgelijke opdrachten: onderscheid tussen kinderen die makkelijk leren en kinderen die
moeilijk leren → eerste (bruikbare) intelligentietest
→ 20e eeuw: gestaltpsychologie → bewuste waarnemingen vs. stimulus elementen
Waarnemingen volgens gehelen / gestalten verschillen van reeks onafhankelijke sensaties
Theoretische impact beperkt (wel: interactie tussen processen)
Bottom up vs. top-down
o Bottom up: kleine oplossingen zoeken om uiteindelijk het grote probleem op te lossen
o Top-down: grote probleem oplossen door op te splitsen in kleinere problemen en daarvoor een
oplossing voor te zoeken
Behaviorisme – Watson
= studie van stimulus → reactie
Evolutietheorie & functionalisme → meer interesse in gedrag
Enkel onderzoeken van direct observeerbaar, meetbaar gedrag
o Geen introspectie → subjectief!
Gedrag van mensen en dieren bestuderen om na te gaan onder welke omstandigheden iets geleerd werd
“ ik geloof dat het mogelijk is om een psychologie te schrijven, deze te definiëren als de wetenschap van het
gedrag, en die definitie nooit meer te herroepen: zonder gebruik te maken van termen als bewustzijn, mentale
toestand, introspectief verifieerbaar, verbeelding en dergelijke meer. “
Methode (geïnspireerd door positivisme: natuurwetenschap meest succesvol om wereld te begrijpen en kennis op
te doen)
Kennis uit directe observaties → repliceerbaar → operationele definitie
o Termen van gebruikte meetprocessen
o Zo concreet mogelijke begrippen
▪ Voorbeeld: honger (mensen: gevoel zoals beschreven in woordenboek /
wetenschapper: gevoel = subjectief → aantal uren dat persoon niet gegeten heeft)
Onafhankelijke vs. afhankelijke variabelen (S-R psychologie)
o Onafhankelijk: karakteristieken van de situatie werken in op gedrag van persoon/dier
(manipuleerbaar)
o Afhankelijk: gedragingen dier/persoon (meten om te zien of onafhankelijke variabele een
effect had)
Wetenschappelijke theorie: beschrijven van relatie tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen
o In vorm van wiskundige wet
Bewustzijn → valt buiten studiegebied (blackbox: er kan alleen naar waarneembaar gedrag gekeken worden)
Skinner: mentale processen bestaan niet
Onderzoek: manier waarop gedrag verandert onder invloed van ondervinding → leerprocessen
4