ELISA
I. Antilichamen
Immunoglobulinen, antilichamen, zijn eiwitten die door de mens (B-lymfocyten/plasmacellen)
geproduceerd worden als reactie op antigenen. Antigenen zijn daarentegen lichaamsvreemde stoffen
zoals virussen, bacteriën,….
Een immunoglobuline bestaat uit vier polypeptideketens, die twee aan
twee gelijk zijn; 2 zware ketens en 2 lichte ketens, die met
disulfidebruggen aan elkaar verbonden zijn. Elke keten bestaat, wat
zijn aminozuursamenstelling betreft, uit een variabel deel en
een constant deel. De specificiteit van een immunoglobulinemolecuul
en de bindingsplaats voor een antigeen is gelegen in de variabele
delen.
\De antilichamen kunnen antigenen herkennen, en ze door er mee te binden onschadelijk maken. Er is
sprake van een specifieke herkenning tussen antigenen (Ag) en antilichamen (Ab), met andere
woorden is voor elk antigen een ander antilichaam aangemaakt. Het onschadelijk maken van antigen
wordt opgevolgd door te fagocyteren (opnemen van bestanddelen).
Antilichamen kunnen verschillende reacties teweegbrengen na contact met hun antigeen:
- Neutraliseren: biologische werking van een antigeen onmogelijk maken;
- Agglutinatie: klontering van de antigeenmoleculen veroorzaken;
- Precipitaite: vorming van neerslag.
Daarnaast kan binding van het antigeen-antilichaam complex via de Fc-staart verschillende effecten
bewerkstellen waaronder;
- activatie van complement (moleculen van de aangeboren immuniteit),
- versterking van initiële binding bij een fagocytose (opsonisatie)
- en activatie van Nk-cellen (cellen van de aangeboren immuniteit) die de spontane doding van
virusgeïnfecteerde cellen of tumorcellen versterken.
, B-lymfocyten worden gemaakt in het beenmerg vanuit lymfoïde stamcellen. Een jonge B-lymofcyt, die
nog nooit eerder een antigeen heeft ontmoet, maakt een primaire antistof die het als zogenaamde B-
celreceptor (BCR) op het celmembraan vertoont. Wanneer de B-lymfocyten het beenmerg verlaten
naar de secundaire organen, zoals lymfeklieren en milt, zullen de B-lymfocyten voor het eerst
antigenen ontmoeten.
Helper-T-lymfocyten zijn nodig om een B-
lymfocyten te activeren, zodat ze
prolifereren, differentiëren en ten slotte
antistoffen produceren. Dit gebeurt enkel als
er zowel een binding is van antigeen als een
T-celreceptor aan de B-lymfocyt. Vervolgens
differentiëren de B-lymfocyten via een
stadium van onrijpe plasmacel tot rijpe
plasmacel of een memory-B-lymfocyt. Deze
plasmacellen vormen antilichamen tegen het
antigeen. Een deel van de B-cellen kan als
geheugencellen blijven circuleren en bij een
tweede contact snel reageren.
Verschillende antilichaam isotopen zijn de volgende:
IgA IgD IgE IgG IgM
Dimeer Monomeer Monomeer Monomeer Pentameer
(monomeer op B-
cellen)
In slijmvliezen. Als Veroorzaakt bij Belangrijkste Eerste reactie op
Voorkomt antigeenreceptor binding humorale antigenen.
kolonisatie door op B-cellen die histamine-afgifte component tegen
pathogenen. nog niet zijn uit mestcellen en binnendringende
bloodgesteld aan basofielen. pathogenen.
antigenen Betrokken bij Beschermt
allergiën pasgeborene.
Epitoop: een klein, toegankelijk deel van een
antigen dat herkend kan worden door
antilichamen.
Paratoop: de antigeenbindende plaats
Idiotype: een gedeeld kenmerk tussen een groep
immunoglublinemoleculen op basis van
antigeenbindingsspecifiteit
Idotoop: de unieke set antigene determinant van
het variabele deel van een antilichaam
I. Antilichamen
Immunoglobulinen, antilichamen, zijn eiwitten die door de mens (B-lymfocyten/plasmacellen)
geproduceerd worden als reactie op antigenen. Antigenen zijn daarentegen lichaamsvreemde stoffen
zoals virussen, bacteriën,….
Een immunoglobuline bestaat uit vier polypeptideketens, die twee aan
twee gelijk zijn; 2 zware ketens en 2 lichte ketens, die met
disulfidebruggen aan elkaar verbonden zijn. Elke keten bestaat, wat
zijn aminozuursamenstelling betreft, uit een variabel deel en
een constant deel. De specificiteit van een immunoglobulinemolecuul
en de bindingsplaats voor een antigeen is gelegen in de variabele
delen.
\De antilichamen kunnen antigenen herkennen, en ze door er mee te binden onschadelijk maken. Er is
sprake van een specifieke herkenning tussen antigenen (Ag) en antilichamen (Ab), met andere
woorden is voor elk antigen een ander antilichaam aangemaakt. Het onschadelijk maken van antigen
wordt opgevolgd door te fagocyteren (opnemen van bestanddelen).
Antilichamen kunnen verschillende reacties teweegbrengen na contact met hun antigeen:
- Neutraliseren: biologische werking van een antigeen onmogelijk maken;
- Agglutinatie: klontering van de antigeenmoleculen veroorzaken;
- Precipitaite: vorming van neerslag.
Daarnaast kan binding van het antigeen-antilichaam complex via de Fc-staart verschillende effecten
bewerkstellen waaronder;
- activatie van complement (moleculen van de aangeboren immuniteit),
- versterking van initiële binding bij een fagocytose (opsonisatie)
- en activatie van Nk-cellen (cellen van de aangeboren immuniteit) die de spontane doding van
virusgeïnfecteerde cellen of tumorcellen versterken.
, B-lymfocyten worden gemaakt in het beenmerg vanuit lymfoïde stamcellen. Een jonge B-lymofcyt, die
nog nooit eerder een antigeen heeft ontmoet, maakt een primaire antistof die het als zogenaamde B-
celreceptor (BCR) op het celmembraan vertoont. Wanneer de B-lymfocyten het beenmerg verlaten
naar de secundaire organen, zoals lymfeklieren en milt, zullen de B-lymfocyten voor het eerst
antigenen ontmoeten.
Helper-T-lymfocyten zijn nodig om een B-
lymfocyten te activeren, zodat ze
prolifereren, differentiëren en ten slotte
antistoffen produceren. Dit gebeurt enkel als
er zowel een binding is van antigeen als een
T-celreceptor aan de B-lymfocyt. Vervolgens
differentiëren de B-lymfocyten via een
stadium van onrijpe plasmacel tot rijpe
plasmacel of een memory-B-lymfocyt. Deze
plasmacellen vormen antilichamen tegen het
antigeen. Een deel van de B-cellen kan als
geheugencellen blijven circuleren en bij een
tweede contact snel reageren.
Verschillende antilichaam isotopen zijn de volgende:
IgA IgD IgE IgG IgM
Dimeer Monomeer Monomeer Monomeer Pentameer
(monomeer op B-
cellen)
In slijmvliezen. Als Veroorzaakt bij Belangrijkste Eerste reactie op
Voorkomt antigeenreceptor binding humorale antigenen.
kolonisatie door op B-cellen die histamine-afgifte component tegen
pathogenen. nog niet zijn uit mestcellen en binnendringende
bloodgesteld aan basofielen. pathogenen.
antigenen Betrokken bij Beschermt
allergiën pasgeborene.
Epitoop: een klein, toegankelijk deel van een
antigen dat herkend kan worden door
antilichamen.
Paratoop: de antigeenbindende plaats
Idiotype: een gedeeld kenmerk tussen een groep
immunoglublinemoleculen op basis van
antigeenbindingsspecifiteit
Idotoop: de unieke set antigene determinant van
het variabele deel van een antilichaam