De verlichting in theorie en praktijk brengen (1650-1900)
2.1 Verlichte denkbeelden (1650-1789)
Het streven van vorsten naar absolute macht
De wetenschappelijke revolutie
Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Het voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Het westerse denken was ondergeschikt aan geloof en traditie. Toename en kennis (renaissance,
ontdekkingsreizen,…) -> geleidelijk andere inzichten
2 filosofische stromingen:
1. Empirisme: waarneming en ervaring (Locke)
2. Rationalisme: de rede (Descartes)
Humanisme, ontdekkingsreizen, technische vooruitgang, rationalisme en empirisme ->
Wetenschappelijke Revolutie: optimisme over de mogelijkheden om met het verstand en met
onderzoek alles te begrijpen en te verklaren en om de wereld te verbeteren.
Verlichting: de beweging om het gebruik van het verstand, de ratio, toe te passen op alle
terreinen van de maatschappij
VOOR NA
GELOOF Staat moest ware Verlichting en reformatie-> meer nadruk op individuele geweten,
geloof beschermen verlichte denkers benadrukten het belang van vrijheid en tolerantie,
Locke: scheiding van kerk en staat
SAMENLEVIN Mens was zondig Mens van nature goed, maatschappelijke vooruitgang
G
POLITIEK Rechtvaardige Locke en Rousseau: natuurrechten, alle mensen zijn vrij en gelijk
samenleving naar Gods geboren en hebben een natuurlijk recht op leven, gezondheid en
wil, droit divin bezit = rechtvaardige samenleving, sociaal contract, voor directe
democratie
Montesquieu: tegen democratie, trias politica:
1) Regering: uitvoerende macht
2) Parlement: wetgevende en controlerende macht
3) Onafhankelijke rechters: controlerende macht
Veranderende politieke cultuur -> vorsten moesten meer rekening houden met publieke opinie.
Sommige heersers waren voor verlicht absolutisme. Franse koningen zien verlichting als bedreiging ->
koninklijke censuur verbood in de 18 e eeuw 100 boeken
2.2 Revoluties in Amerika en Frankrijk (1776-1813)
Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
De uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de
daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme
De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap
2.1 Verlichte denkbeelden (1650-1789)
Het streven van vorsten naar absolute macht
De wetenschappelijke revolutie
Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
Het voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme)
Het westerse denken was ondergeschikt aan geloof en traditie. Toename en kennis (renaissance,
ontdekkingsreizen,…) -> geleidelijk andere inzichten
2 filosofische stromingen:
1. Empirisme: waarneming en ervaring (Locke)
2. Rationalisme: de rede (Descartes)
Humanisme, ontdekkingsreizen, technische vooruitgang, rationalisme en empirisme ->
Wetenschappelijke Revolutie: optimisme over de mogelijkheden om met het verstand en met
onderzoek alles te begrijpen en te verklaren en om de wereld te verbeteren.
Verlichting: de beweging om het gebruik van het verstand, de ratio, toe te passen op alle
terreinen van de maatschappij
VOOR NA
GELOOF Staat moest ware Verlichting en reformatie-> meer nadruk op individuele geweten,
geloof beschermen verlichte denkers benadrukten het belang van vrijheid en tolerantie,
Locke: scheiding van kerk en staat
SAMENLEVIN Mens was zondig Mens van nature goed, maatschappelijke vooruitgang
G
POLITIEK Rechtvaardige Locke en Rousseau: natuurrechten, alle mensen zijn vrij en gelijk
samenleving naar Gods geboren en hebben een natuurlijk recht op leven, gezondheid en
wil, droit divin bezit = rechtvaardige samenleving, sociaal contract, voor directe
democratie
Montesquieu: tegen democratie, trias politica:
1) Regering: uitvoerende macht
2) Parlement: wetgevende en controlerende macht
3) Onafhankelijke rechters: controlerende macht
Veranderende politieke cultuur -> vorsten moesten meer rekening houden met publieke opinie.
Sommige heersers waren voor verlicht absolutisme. Franse koningen zien verlichting als bedreiging ->
koninklijke censuur verbood in de 18 e eeuw 100 boeken
2.2 Revoluties in Amerika en Frankrijk (1776-1813)
Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen
De uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de
daarmee verbonden transatlantische slavenhandel, en de opkomst van het abolitionisme
De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten,
grondrechten en staatsburgerschap