Hoofdstuk 1 Historiek
Oudheid (Grieken en Romeinen)
→ antropocentrisch = mens/wereld centraal
→ Generatio spontanea = leven bestaat uit dode materie (aarde, water, vuur en lucht)
Middeleeuwen
→ scheppingsverhalen = op 1 dag/week door een god geschapen
16de - 18de eeuw: bloei wetenschappen
→ onderzoek, hypothesen, nieuwe toestellen
→ Pasteur, onderzoeker, bewees dat micro-organismen zich voortplanten en niet
spontaan ontstaan
→ 18de eeuw, alle geleerden geloven dat soorten onveranderlijk zijn
→ Linnaeus,zweed ging ervan uit dat in zijn tijd evenveel en dezelfde soorten leefden
als in het begin tijdens de schepping
19de eeuw: grote doorbraak
→ kwam door Franse hoogleraar zoölogie Lamarck
→ ontdekte dat je dieren in een reeks van eenvoudig naar meer complex kunt
rangschikken.
→ Darwin, grondlegger huidige evolutie theorie
→ On the origin of species (boek die hij heeft geschreven)
→ natuurlijke selectie
Oerknal = BigBang
→ ontstaan van de aarde 4,5 miljard jaar geleden
Start: grote vuurbal van gesmolten gesteente die langzaam afkoelde/ vorming aardkorst
● Vulkanisme/ vorming atmosfeer
● Ontstaan van complexe organische moleculen: bouwstenen van het leven
● Van eencellig naar meercellig
● Fotosynthese: zuurstofproductie
vissen = 400 miljoen jaar
Amfibieën & reptielen = 300 miljoen jaar
Dinosauriers = 245 tot 65 miljoen jaar
uitgestorven? → door meteorietinslag
zoogdieren en vogels= 65 miljoen jaar en 3 miljoen jaar
Hoofdstuk 2: Argumenten die hypothese van de evolutie ondersteunen
Van eenvoudige organismen naar complex
, De veranderingen/ evolutie verliep traag
Gegevens uit verschillende bronnen/ argumenten
1. de geschiedenis van de organismen en studie van fossielen (paleontologie)
2. de vergelijkende anatomie en de vergelijkende embryonale ontwikkeling
3. het onderzoek van levensverschijnselen
4. moleculaire biologie
5. verspreiding van organismen
2.1 gegeven uit de paleontologie
fossielen= overblijfselen van vroegere organismen (vb skelet, schelpen, schalen,...)
soorten fossielen
- steenkernen vb ammonieten
- afdrukken vb planten, zeester
- ingebed in hars vb insekten
- gemummificeerd vb veenlijken, mummies in woestijn
- ingevroren vb mammoeten, mens op mont blanc
fossielen geven een erg onvolledig beeld van de geschiedenis van de organismen
→ ze worden alleen maar toevallig gevonden
→ sommige organismen fossiliseren beter dan andere
radioactief verval = methode om gesteenten en fossielen te dateren
absolute datering relatieve datering
leeftijd fossiel wordt bepaald vergelijkt de ouderdom van fossielen
radioactieve 14C-methode hoe dieper hoe ouder
paleomagnetisme vergelijken bodemlagen
gidsfossielen
Gevolgen/conclusies uit fossielen
- Verwantschap
- Stijgende complexiteit van de fossielen (eerst eenvoudig gebouwde fossielen later
vervangen door ingewikkeldere organismen)
- Continue reeksen (onderbroken evolutie vb paard eers klein bosdier dan grote steppe
dier tot huidig paard)
- Toenemende differentiëring (van versch. groepen die nu leven kan een gemeensch.
voorouder aangetoond worden)
- Overgangsvormen (overgangsvormen tussen twee groepen ) p.3
Oudheid (Grieken en Romeinen)
→ antropocentrisch = mens/wereld centraal
→ Generatio spontanea = leven bestaat uit dode materie (aarde, water, vuur en lucht)
Middeleeuwen
→ scheppingsverhalen = op 1 dag/week door een god geschapen
16de - 18de eeuw: bloei wetenschappen
→ onderzoek, hypothesen, nieuwe toestellen
→ Pasteur, onderzoeker, bewees dat micro-organismen zich voortplanten en niet
spontaan ontstaan
→ 18de eeuw, alle geleerden geloven dat soorten onveranderlijk zijn
→ Linnaeus,zweed ging ervan uit dat in zijn tijd evenveel en dezelfde soorten leefden
als in het begin tijdens de schepping
19de eeuw: grote doorbraak
→ kwam door Franse hoogleraar zoölogie Lamarck
→ ontdekte dat je dieren in een reeks van eenvoudig naar meer complex kunt
rangschikken.
→ Darwin, grondlegger huidige evolutie theorie
→ On the origin of species (boek die hij heeft geschreven)
→ natuurlijke selectie
Oerknal = BigBang
→ ontstaan van de aarde 4,5 miljard jaar geleden
Start: grote vuurbal van gesmolten gesteente die langzaam afkoelde/ vorming aardkorst
● Vulkanisme/ vorming atmosfeer
● Ontstaan van complexe organische moleculen: bouwstenen van het leven
● Van eencellig naar meercellig
● Fotosynthese: zuurstofproductie
vissen = 400 miljoen jaar
Amfibieën & reptielen = 300 miljoen jaar
Dinosauriers = 245 tot 65 miljoen jaar
uitgestorven? → door meteorietinslag
zoogdieren en vogels= 65 miljoen jaar en 3 miljoen jaar
Hoofdstuk 2: Argumenten die hypothese van de evolutie ondersteunen
Van eenvoudige organismen naar complex
, De veranderingen/ evolutie verliep traag
Gegevens uit verschillende bronnen/ argumenten
1. de geschiedenis van de organismen en studie van fossielen (paleontologie)
2. de vergelijkende anatomie en de vergelijkende embryonale ontwikkeling
3. het onderzoek van levensverschijnselen
4. moleculaire biologie
5. verspreiding van organismen
2.1 gegeven uit de paleontologie
fossielen= overblijfselen van vroegere organismen (vb skelet, schelpen, schalen,...)
soorten fossielen
- steenkernen vb ammonieten
- afdrukken vb planten, zeester
- ingebed in hars vb insekten
- gemummificeerd vb veenlijken, mummies in woestijn
- ingevroren vb mammoeten, mens op mont blanc
fossielen geven een erg onvolledig beeld van de geschiedenis van de organismen
→ ze worden alleen maar toevallig gevonden
→ sommige organismen fossiliseren beter dan andere
radioactief verval = methode om gesteenten en fossielen te dateren
absolute datering relatieve datering
leeftijd fossiel wordt bepaald vergelijkt de ouderdom van fossielen
radioactieve 14C-methode hoe dieper hoe ouder
paleomagnetisme vergelijken bodemlagen
gidsfossielen
Gevolgen/conclusies uit fossielen
- Verwantschap
- Stijgende complexiteit van de fossielen (eerst eenvoudig gebouwde fossielen later
vervangen door ingewikkeldere organismen)
- Continue reeksen (onderbroken evolutie vb paard eers klein bosdier dan grote steppe
dier tot huidig paard)
- Toenemende differentiëring (van versch. groepen die nu leven kan een gemeensch.
voorouder aangetoond worden)
- Overgangsvormen (overgangsvormen tussen twee groepen ) p.3