SAMENVATTING EINDEXAMEN
Aardrijkskunde
Arm en Rijk
3.1 India en Groot- Brittannië
Rond 1900 is Groot-Brittannië door de industrialisatie een machtig land en India
een exploitatiekolonie
India staat in dienst van Brits-Indië
● Levering van grondstoffen
● Infrastructuur en zeehavens voor vervoer van grondstoffen
● India als afzetgebied
In 1947 werd India onafhankelijk -> dekolonisatie
Opgesplitst in vijf landen
● De koloniale banden hebben sporen nagelaten -> Engels
● Na de onafhankelijkheid: emigratie naar GB
● Economische reden: multiculturele samenleving in GB
Engeland
Ongeveer 90% van de Engelse bevolking woont in steden
Snelle verstedelijking begon met de opkomst van de industrie. De industrialisatie begonnen in de
Engelse Midlands.
India kwam verstedelijking veel later dan in Engeland : urbanisatiegraad ongeveer 40% in 2030.
46 steden -> 1 miljoen inwoners
Tweedeling:
● Rijke mensen in gated communities
● Arme mensen in slums
Na Tweede Wereldoorlog: de-industrialisatie richting diensteneconomie.
‒ Industriegebieden in verval door concurrentie lagelonenlanden.
Steden worden aantrekkelijk als vestigingsplaats voor:
● dienstverlenende bedrijven (o.a. vanwege hoogopgeleid personeel)
● multinationale ondernemingen
● bedrijven op het gebied van research en marketing
, ● zakelijke en financiële dienstverlening
De-industrialisatie ook in andere delen West-Europa en de V.S.: kansrijke bewoners trekken weg
→ hoge werkloosheid en dalende inkomsten.
3.2 Welvaart en Ontwikkeling
► Welvaartspeil bepaalt hoe ontwikkeld een land is ‒ verschillen in ontwikkeling binnen een land
● Bruto nationaal product per inwoner --> meest gebruikte indicator
● In ontwikkelingslanden vaak economische ongelijkheid : weinig rijken/veel armen
Het bruto nationaal product
► bruto nationaal product (bnp) = totale inkomen van een land. ● bnp / inwoner gebruikt = PCI
(per capita inkomen)
In arme landen:
● Inkomen niet in geld uitgedrukt: Landbouw, informele sector.
● Koopkracht
● Regionale Ongelijkheid: Bruto regionaal product (brp) is zeer verschillend.
● Sociale Ongelijkheid: Groot verschil arm en rijk.
● Cijfers onbetrouwbaar → goede vergelijking lastig.
● Wisselkoers van de dollar → wijkt af van werkelijke waarde.
BBP: bruto binnenlands product = productie binnen het land
BNP: bruto nationaal product = oductie binnen het land + de productie in het buitenland
Denk aan : winst, rente, huur.
BBP is ongeveer gelijk aan BNP
Human development index (hdi)
► Drie kenmerken:
● bnp per inwoner (economisch kenmerk)
● levensverwachting (demografisch kenmerk)
● analfabetisme (sociaal-cultureel kenmerk)
‒ gemiddeld indexcijfer → geen informatie over ruimtelijke en sociale verschillen binnen een
land.
‒ India neemt een plaats in de middenmoot in.
Sterke sociale ongelijkheid binnen India (o.a. door kastensysteem)
India is het nieuwe China
Bij vergelijking hdi-indicatoren: alleen de economische groei van India > Groot-Brittannië
● Het bnp in sinds deze eeuw verdubbeld
● verschillen tussen arm en rijk zijn groot,
● goed geschoolde middenklasse in de stad
● Investering in dienstensector en industrie kloof tussen steden en het platteland
toegenomen
Kansarme boeren die naar de stad verhuizen, komen vaak terecht in de informele sector
primaire sector: in arme landen boeren vaak zelfvoorzienend
secundaire sector: verplaatst van het centrum naar de periferie vanwege de lage lonen
,tertiaire sector: is in ontwikkelde landen veruit het grootst. Ook in arme landen groot, vooral de
informele sector.
De verhouding aantal werkenden in de sector en de inkomsten per sector zegt iets over de
productiviteit.
Het centrum (het Noorden): N-Amerika, Europa en Japan (Triade)
– 80% van de wereldhandel.
– Hoofdkantoren van multinationals
– Productie hoog en de bevolking koopkrachtig.
De periferie (het Zuiden):
– Afhankelijk
– Gebrekkige technologie en een lage productie.
– Handelsrelaties met centrum vaak door ongelijke ruilvoet ongunstig welvaartskloof rijke en
arme landen wordt groter.
De semiperiferie:
– gegroeid door het verplaatsen van productie centrum naar periferie. (BRIC)
Na de onafhankelijkheid (1947) → planeconomie.
Na 1990: liberalisering en een markteconomie.
Vanaf 2000: speciale economische zones (sez) met lage belastingen en goede infrastructuur.
SEZ als aanjager Indiase economie → aantrekkelijke vestigingsfactoren voor multinationals zijn:
● een jonge, hoogopgeleide, Engelssprekende beroepsbevolking
● relatief lage arbeidskosten
● een groeiende binnenlandse afzetmarkt
Speciale economische zones hebben ook nadelen:
● zones gevestigd op landbouwgrond, boeren worden uitgekocht
● meeste banen zijn voor de goed opgeleide middenklasse
Economische groei → India investeert steeds vaker in andere landen (vooral Britse economie).
3.3 De bevolking in beweging
Demografie = de studie van de aantallen van de bevolking en de veranderingen daarin.
Kenmerken:
● Bevolkingsdichtheid: het aantal mensen dat gemiddeld op 1 km2 woont
● Bevolkingsspreiding: geeft aan hoe de bevolking is verdeeld over een gebied
● Bevolkingsgroei:
● Natuurlijk: geboorte - sterfte
● Sociaal: immigratie - emigratie
● Bruikbaar bij het vergelijken van de ontwikkeling van landen.
► De leeftijdsopbouw: geeft aan hoe de samenstelling van de bevolking is verdeeld naar leeftijd
en geslacht : meestal weergegeven in een bevolkingsdiagram
● Het piramidemodel hoort bij ontwikkelingslanden
● De granaatvorm: het bevolkingsaantal blijft gelijk
● De ui-vorm: afnemende bevolking
, De demografische transitie verklaart de veranderingen in de leeftijdsopbouw: als de
omstandigheden veranderen, zullen ook geboortecijfer en sterftecijfer veranderen.
India in fase 3 van de demografische transitie. Door omvangrijke bevolking nog steeds sprake van
bevolkingsgroei → geboorteoverschot rond 12%.
Na de onafhankelijkheid: gezinsplanning. Family welfare: geboorteregeling en aanpak armoede.
4.1 Economische mondialisering
Globalisering : economieën raken meer met elkaar verweven door de toenemende
internationalisering van goederen en diensten.
Kenmerkend voor het proces van economische globalisering zijn:
● een groeiende internationale handel
● toename van de directe buitenlandse investeringen (dbi’s): investeringen in een andere
land
● toegenomen betekenis van multinationals
Aardrijkskunde
Arm en Rijk
3.1 India en Groot- Brittannië
Rond 1900 is Groot-Brittannië door de industrialisatie een machtig land en India
een exploitatiekolonie
India staat in dienst van Brits-Indië
● Levering van grondstoffen
● Infrastructuur en zeehavens voor vervoer van grondstoffen
● India als afzetgebied
In 1947 werd India onafhankelijk -> dekolonisatie
Opgesplitst in vijf landen
● De koloniale banden hebben sporen nagelaten -> Engels
● Na de onafhankelijkheid: emigratie naar GB
● Economische reden: multiculturele samenleving in GB
Engeland
Ongeveer 90% van de Engelse bevolking woont in steden
Snelle verstedelijking begon met de opkomst van de industrie. De industrialisatie begonnen in de
Engelse Midlands.
India kwam verstedelijking veel later dan in Engeland : urbanisatiegraad ongeveer 40% in 2030.
46 steden -> 1 miljoen inwoners
Tweedeling:
● Rijke mensen in gated communities
● Arme mensen in slums
Na Tweede Wereldoorlog: de-industrialisatie richting diensteneconomie.
‒ Industriegebieden in verval door concurrentie lagelonenlanden.
Steden worden aantrekkelijk als vestigingsplaats voor:
● dienstverlenende bedrijven (o.a. vanwege hoogopgeleid personeel)
● multinationale ondernemingen
● bedrijven op het gebied van research en marketing
, ● zakelijke en financiële dienstverlening
De-industrialisatie ook in andere delen West-Europa en de V.S.: kansrijke bewoners trekken weg
→ hoge werkloosheid en dalende inkomsten.
3.2 Welvaart en Ontwikkeling
► Welvaartspeil bepaalt hoe ontwikkeld een land is ‒ verschillen in ontwikkeling binnen een land
● Bruto nationaal product per inwoner --> meest gebruikte indicator
● In ontwikkelingslanden vaak economische ongelijkheid : weinig rijken/veel armen
Het bruto nationaal product
► bruto nationaal product (bnp) = totale inkomen van een land. ● bnp / inwoner gebruikt = PCI
(per capita inkomen)
In arme landen:
● Inkomen niet in geld uitgedrukt: Landbouw, informele sector.
● Koopkracht
● Regionale Ongelijkheid: Bruto regionaal product (brp) is zeer verschillend.
● Sociale Ongelijkheid: Groot verschil arm en rijk.
● Cijfers onbetrouwbaar → goede vergelijking lastig.
● Wisselkoers van de dollar → wijkt af van werkelijke waarde.
BBP: bruto binnenlands product = productie binnen het land
BNP: bruto nationaal product = oductie binnen het land + de productie in het buitenland
Denk aan : winst, rente, huur.
BBP is ongeveer gelijk aan BNP
Human development index (hdi)
► Drie kenmerken:
● bnp per inwoner (economisch kenmerk)
● levensverwachting (demografisch kenmerk)
● analfabetisme (sociaal-cultureel kenmerk)
‒ gemiddeld indexcijfer → geen informatie over ruimtelijke en sociale verschillen binnen een
land.
‒ India neemt een plaats in de middenmoot in.
Sterke sociale ongelijkheid binnen India (o.a. door kastensysteem)
India is het nieuwe China
Bij vergelijking hdi-indicatoren: alleen de economische groei van India > Groot-Brittannië
● Het bnp in sinds deze eeuw verdubbeld
● verschillen tussen arm en rijk zijn groot,
● goed geschoolde middenklasse in de stad
● Investering in dienstensector en industrie kloof tussen steden en het platteland
toegenomen
Kansarme boeren die naar de stad verhuizen, komen vaak terecht in de informele sector
primaire sector: in arme landen boeren vaak zelfvoorzienend
secundaire sector: verplaatst van het centrum naar de periferie vanwege de lage lonen
,tertiaire sector: is in ontwikkelde landen veruit het grootst. Ook in arme landen groot, vooral de
informele sector.
De verhouding aantal werkenden in de sector en de inkomsten per sector zegt iets over de
productiviteit.
Het centrum (het Noorden): N-Amerika, Europa en Japan (Triade)
– 80% van de wereldhandel.
– Hoofdkantoren van multinationals
– Productie hoog en de bevolking koopkrachtig.
De periferie (het Zuiden):
– Afhankelijk
– Gebrekkige technologie en een lage productie.
– Handelsrelaties met centrum vaak door ongelijke ruilvoet ongunstig welvaartskloof rijke en
arme landen wordt groter.
De semiperiferie:
– gegroeid door het verplaatsen van productie centrum naar periferie. (BRIC)
Na de onafhankelijkheid (1947) → planeconomie.
Na 1990: liberalisering en een markteconomie.
Vanaf 2000: speciale economische zones (sez) met lage belastingen en goede infrastructuur.
SEZ als aanjager Indiase economie → aantrekkelijke vestigingsfactoren voor multinationals zijn:
● een jonge, hoogopgeleide, Engelssprekende beroepsbevolking
● relatief lage arbeidskosten
● een groeiende binnenlandse afzetmarkt
Speciale economische zones hebben ook nadelen:
● zones gevestigd op landbouwgrond, boeren worden uitgekocht
● meeste banen zijn voor de goed opgeleide middenklasse
Economische groei → India investeert steeds vaker in andere landen (vooral Britse economie).
3.3 De bevolking in beweging
Demografie = de studie van de aantallen van de bevolking en de veranderingen daarin.
Kenmerken:
● Bevolkingsdichtheid: het aantal mensen dat gemiddeld op 1 km2 woont
● Bevolkingsspreiding: geeft aan hoe de bevolking is verdeeld over een gebied
● Bevolkingsgroei:
● Natuurlijk: geboorte - sterfte
● Sociaal: immigratie - emigratie
● Bruikbaar bij het vergelijken van de ontwikkeling van landen.
► De leeftijdsopbouw: geeft aan hoe de samenstelling van de bevolking is verdeeld naar leeftijd
en geslacht : meestal weergegeven in een bevolkingsdiagram
● Het piramidemodel hoort bij ontwikkelingslanden
● De granaatvorm: het bevolkingsaantal blijft gelijk
● De ui-vorm: afnemende bevolking
, De demografische transitie verklaart de veranderingen in de leeftijdsopbouw: als de
omstandigheden veranderen, zullen ook geboortecijfer en sterftecijfer veranderen.
India in fase 3 van de demografische transitie. Door omvangrijke bevolking nog steeds sprake van
bevolkingsgroei → geboorteoverschot rond 12%.
Na de onafhankelijkheid: gezinsplanning. Family welfare: geboorteregeling en aanpak armoede.
4.1 Economische mondialisering
Globalisering : economieën raken meer met elkaar verweven door de toenemende
internationalisering van goederen en diensten.
Kenmerkend voor het proces van economische globalisering zijn:
● een groeiende internationale handel
● toename van de directe buitenlandse investeringen (dbi’s): investeringen in een andere
land
● toegenomen betekenis van multinationals