Biologie samenvatting SE-week januari
Hoofdstuk 5
Organische stoffen: koolhydraten (zetmeel en suikers), vetten en eiwitten.
Dissimilatie = de energie uit brandstoffen (bovenstaande organische stoffen) vrijmaken
Mitochondriën leveren een bijdrage aan dissimilatie als er genoeg zuurstof in de cel is.
→ Warmte
→ ATP = moleculen die energie vasthouden en afgeven aan spiervezels wanneer dat nodig is
Aanmaak spiervezels bouwstoffen: eiwitten, water en mineralen
Overschot aan…
- Eiwitten: brandstof of omzetting in vetten
- Koolhydraten: bewaar je in je spier- en levercellen in de vorm van glycogeen (BINAS 67F)
- Vetten: met name onder de huid (brandstof en bouwstof voor hormonen)
Je komt aan wanneer je je energierijke stoffen niet gebruikt.
Ruststofwisseling = energie die je cellen gebruiken als je rust (voor bijvoorbeeld hartslag)
Voedingsstoffen:
- Vetten zijn bouwstoffen voor membranen en hormonen en brandstoffen
- Eiwitten zijn een brandstof en bouwstof voor spiercellen en enzymen (versnellen reacties)
- Koolhydraten zijn een brandstof voor je cellen
- Water dient als bouwstof, transportmiddel, warmtebuffer en koelvloeistof
- Vitaminen, mineralen en voedingsvezels dragen als beschermende stoffen bij om ziekten te
voorkomen.
ADH = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van vitaminen en mineralen (BINAS 82A)
,ATP = de energiebron voor je cellen
- 3 fosfaatgroepen
- ADP (2 fosfaatgroepen) + een fosfaatgroep = ATP dit omzetten kost energie
- Geeft de energie weer af wanner de 3e fosfaatgroep afsplitst
Creatinefosfaat (CP) = de ‘noodaccu’ van je spiercellen bij plotselinge inspanning
draagt energierijke fosfaatgroep over aan ADP (CP wordt C = creatine)
ATP + CP = de fosfaataccu van je spiercellen = genoeg voor korte sportprestaties
Anaerobe dissimilatie van glucose vult de fosfaataccu aan bij langdurige inspanning
- Glucose (C6H12O6) + O2 H2O + CO2
Melkzuurgisting
→ Enzymen in het grondplasma van de spiercellen breken glucose zonder O 2 af tot 2 moleculen
melkzuur (C3H6O3)
→ Levert energie om uit ADP en P, 2 moleculen ATP per glucosemolecuul te maken
→ Voordeel: spiercellen krijgen extra ATP
Nadeel: er ontstaat een ophoping van melkzuur: spieren verzuren
Nahijgen: extra O2 mitochondriën en cellen zetten melkzuur om in pyrodruivenzuur
Levercellen maken van de overige 20% melkzuur glucose
spier- en levercellen slaan overschot op als glycogeen
Aerobe dissimilatie: glucose
verbranden bet behulp van O2
→ Enzymen maken van C6 twee C3 pyrodruivenzuur 2 ATP
→ Pyrodruivenzuur gaat naar mitochondriën afbraak tot H2O en CO2
→ Genoeg energie voor 36 extra ATP
Door inspanning maken spiervezels extra mitochondriën meer ATP productie
Vetten aeroob dissimileren: glycerol en vetzuren
Afbraak overtollige eiwitten ATP
Afvalstoffen: CO2 (uitademen) en H2O (zweet en urine)
Oververhitting voorkomen: energie komt vrij door warme
, Tabel van vitaminen: BINAS 82A
Vitamine B12 vorming rode bloedcellen O2 transport
- Zit in dierlijke producten
Eiwitten bouwstof
- Plantaardig voedsel en vlees
- Eieren (hoogwaardige eiwitten = hoge kwaliteit)
- Kwaliteit hangt af van aminozuren (BINAS 67H1)
- Lever springt bij wanneer er van een bepaald aminozuur te weinig is aminozuren
ombouwen niet-essentiële aminozuren
- Essentiële aminozuren krijg je alleen via je voeding binnen
Gevarieerde voeding is dus belangrijk!
Assimilatieproces = het opbouwen van complexe stoffen uit eenvoudige organische moleculen
(aminozuren tot eiwitten)
Vetten: bestaan uit glycerol en vetzuren (verzadigd/onverzadigd)
- Vetten met veel onverzadigde vetzuren zijn beter voor hart en bloedvaten
→ Gaan atherosclerose (aderverkalking) tegen
De lever kan alleen niet-essentiële vetzuren maken
- Omega-3 en Omega-6 zijn essentiële vetzuren (in vis of margarine)
Eten van plantaardig voedsel (groente en fruit):
- celwanden kapot maken door kauwen smaak komt vrij
- water, mineralen en vitamine C kan je direct opnemen
- voedingsvezels houden water vast soepele ontlasting + verzadigd gevoel
- cellulose (bouwstof van celwand) behoort tot voedingsvezels
- pectine plakt plantencellen aan elkaar
Planten vervoeren stoffen via hout- en bastvaten
water en mineralen vanaf de wortels naar boven
Knollen en zaden bevatten reservestoffen
Hoofdstuk 5
Organische stoffen: koolhydraten (zetmeel en suikers), vetten en eiwitten.
Dissimilatie = de energie uit brandstoffen (bovenstaande organische stoffen) vrijmaken
Mitochondriën leveren een bijdrage aan dissimilatie als er genoeg zuurstof in de cel is.
→ Warmte
→ ATP = moleculen die energie vasthouden en afgeven aan spiervezels wanneer dat nodig is
Aanmaak spiervezels bouwstoffen: eiwitten, water en mineralen
Overschot aan…
- Eiwitten: brandstof of omzetting in vetten
- Koolhydraten: bewaar je in je spier- en levercellen in de vorm van glycogeen (BINAS 67F)
- Vetten: met name onder de huid (brandstof en bouwstof voor hormonen)
Je komt aan wanneer je je energierijke stoffen niet gebruikt.
Ruststofwisseling = energie die je cellen gebruiken als je rust (voor bijvoorbeeld hartslag)
Voedingsstoffen:
- Vetten zijn bouwstoffen voor membranen en hormonen en brandstoffen
- Eiwitten zijn een brandstof en bouwstof voor spiercellen en enzymen (versnellen reacties)
- Koolhydraten zijn een brandstof voor je cellen
- Water dient als bouwstof, transportmiddel, warmtebuffer en koelvloeistof
- Vitaminen, mineralen en voedingsvezels dragen als beschermende stoffen bij om ziekten te
voorkomen.
ADH = aanbevolen dagelijkse hoeveelheid van vitaminen en mineralen (BINAS 82A)
,ATP = de energiebron voor je cellen
- 3 fosfaatgroepen
- ADP (2 fosfaatgroepen) + een fosfaatgroep = ATP dit omzetten kost energie
- Geeft de energie weer af wanner de 3e fosfaatgroep afsplitst
Creatinefosfaat (CP) = de ‘noodaccu’ van je spiercellen bij plotselinge inspanning
draagt energierijke fosfaatgroep over aan ADP (CP wordt C = creatine)
ATP + CP = de fosfaataccu van je spiercellen = genoeg voor korte sportprestaties
Anaerobe dissimilatie van glucose vult de fosfaataccu aan bij langdurige inspanning
- Glucose (C6H12O6) + O2 H2O + CO2
Melkzuurgisting
→ Enzymen in het grondplasma van de spiercellen breken glucose zonder O 2 af tot 2 moleculen
melkzuur (C3H6O3)
→ Levert energie om uit ADP en P, 2 moleculen ATP per glucosemolecuul te maken
→ Voordeel: spiercellen krijgen extra ATP
Nadeel: er ontstaat een ophoping van melkzuur: spieren verzuren
Nahijgen: extra O2 mitochondriën en cellen zetten melkzuur om in pyrodruivenzuur
Levercellen maken van de overige 20% melkzuur glucose
spier- en levercellen slaan overschot op als glycogeen
Aerobe dissimilatie: glucose
verbranden bet behulp van O2
→ Enzymen maken van C6 twee C3 pyrodruivenzuur 2 ATP
→ Pyrodruivenzuur gaat naar mitochondriën afbraak tot H2O en CO2
→ Genoeg energie voor 36 extra ATP
Door inspanning maken spiervezels extra mitochondriën meer ATP productie
Vetten aeroob dissimileren: glycerol en vetzuren
Afbraak overtollige eiwitten ATP
Afvalstoffen: CO2 (uitademen) en H2O (zweet en urine)
Oververhitting voorkomen: energie komt vrij door warme
, Tabel van vitaminen: BINAS 82A
Vitamine B12 vorming rode bloedcellen O2 transport
- Zit in dierlijke producten
Eiwitten bouwstof
- Plantaardig voedsel en vlees
- Eieren (hoogwaardige eiwitten = hoge kwaliteit)
- Kwaliteit hangt af van aminozuren (BINAS 67H1)
- Lever springt bij wanneer er van een bepaald aminozuur te weinig is aminozuren
ombouwen niet-essentiële aminozuren
- Essentiële aminozuren krijg je alleen via je voeding binnen
Gevarieerde voeding is dus belangrijk!
Assimilatieproces = het opbouwen van complexe stoffen uit eenvoudige organische moleculen
(aminozuren tot eiwitten)
Vetten: bestaan uit glycerol en vetzuren (verzadigd/onverzadigd)
- Vetten met veel onverzadigde vetzuren zijn beter voor hart en bloedvaten
→ Gaan atherosclerose (aderverkalking) tegen
De lever kan alleen niet-essentiële vetzuren maken
- Omega-3 en Omega-6 zijn essentiële vetzuren (in vis of margarine)
Eten van plantaardig voedsel (groente en fruit):
- celwanden kapot maken door kauwen smaak komt vrij
- water, mineralen en vitamine C kan je direct opnemen
- voedingsvezels houden water vast soepele ontlasting + verzadigd gevoel
- cellulose (bouwstof van celwand) behoort tot voedingsvezels
- pectine plakt plantencellen aan elkaar
Planten vervoeren stoffen via hout- en bastvaten
water en mineralen vanaf de wortels naar boven
Knollen en zaden bevatten reservestoffen