OP DE REM
Dhr. Kramer
Naam:
Studentnummer:
Groep:
Examinator:
Studieonderdeel: Stage 2
Studiegidsnummer: 2500SO2_21
Aantal woorden (exclusief inhoudsopgave, tabellen en bronnenlijsten): 1261 woorden
Datum:
, Inhoudsopgave:
Verkenning:............................................................................................................................................2
Explicitering:.......................................................................................................................................2
Analyse:..........................................................................................................................................3
Afweging:....................................................................................................................................5
Aanpak:...................................................................................................................................5
Bronnenlijst:.......................................................................................................................6
, Verkenning:
1. Casus:
Dhr. Kramer (niet zijn echte naam) is 83 jaar en is opgenomen op de pg-afdeling in een
verzorgingshuis waar ik stage loop. Dhr. heeft twee dochters en één zoon en zijn vrouw komt bijna
dagelijks op bezoek. Dhr. heeft in zijn vroegere jaren een boerderij gehad en is daarna in een klein
dorpje gaan wonen.
Dhr. heeft Parkinson en heeft een stoma. Dhr. zit in een rolstoel met een speciale Parkinson riem,
omdat hij instabiel loopt en staat. Door de Parkinson heeft dhr. last van hallucinaties en gaat
hierdoor friemelen en objecten oppakken.
Dhr. had een tijdje terug de strip van de tafelrand eraf getrokken. Hij laat wel eens dingen van de
tafel vallen, zoals een bord of een glas. Dhr. heeft ondersteuning nodig bij de voeding, omdat dit hem
zelfstandig niet lukt.
Laatst pakte dhr. een kruk van de grond en begon hiermee te zwaaien. Ik zag dit gebeuren en was
geschrokken. Ik heb de kruk uit zijn handen gepakt en wilde de rolstoel van dhr. op de rem zetten. Dit
wilde ik doen, zodat hij zich niet kon bezeren. Een andere collega was er toevallig bij en vertelde dat
dit niet mocht. Zij legde mij uit dat dit de vrijheid van dhr. belemmerde.
Explicitering:
2. Wat is de morele vraag?
In hoeverre moet dhr. wel of niet in zijn rolstoel op de rem wanneer hij onrustig wordt en
zichzelf mogelijk schade kan toebrengen?
3. Welke handelingsmogelijkheden staan op het eerste gezicht open?
A: Dhr. op de rem zetten.
B: Dhr. niet op de rem zetten.
C: Ervoor zorgen dat er geen voorwerpen in de buurt liggen die dhr. kunnen schaden.
4. Welke feitelijke informatie ontbreekt er op dit moment?
Hoe zou dhr. zich gedragen als hij de hele dag op de rem staat?
Wat vindt mw. Kramer ervan?
Wat vindt dhr. Kramer ervan?
Wat gebeurt er als je de ruimte veilig maakt van losse voorwerpen?
Waarom wordt dhr. zo onrustig? Is dit omdat dhr. niks te doen heeft? Komt het door
de hallucinaties?
Dhr. Kramer
Naam:
Studentnummer:
Groep:
Examinator:
Studieonderdeel: Stage 2
Studiegidsnummer: 2500SO2_21
Aantal woorden (exclusief inhoudsopgave, tabellen en bronnenlijsten): 1261 woorden
Datum:
, Inhoudsopgave:
Verkenning:............................................................................................................................................2
Explicitering:.......................................................................................................................................2
Analyse:..........................................................................................................................................3
Afweging:....................................................................................................................................5
Aanpak:...................................................................................................................................5
Bronnenlijst:.......................................................................................................................6
, Verkenning:
1. Casus:
Dhr. Kramer (niet zijn echte naam) is 83 jaar en is opgenomen op de pg-afdeling in een
verzorgingshuis waar ik stage loop. Dhr. heeft twee dochters en één zoon en zijn vrouw komt bijna
dagelijks op bezoek. Dhr. heeft in zijn vroegere jaren een boerderij gehad en is daarna in een klein
dorpje gaan wonen.
Dhr. heeft Parkinson en heeft een stoma. Dhr. zit in een rolstoel met een speciale Parkinson riem,
omdat hij instabiel loopt en staat. Door de Parkinson heeft dhr. last van hallucinaties en gaat
hierdoor friemelen en objecten oppakken.
Dhr. had een tijdje terug de strip van de tafelrand eraf getrokken. Hij laat wel eens dingen van de
tafel vallen, zoals een bord of een glas. Dhr. heeft ondersteuning nodig bij de voeding, omdat dit hem
zelfstandig niet lukt.
Laatst pakte dhr. een kruk van de grond en begon hiermee te zwaaien. Ik zag dit gebeuren en was
geschrokken. Ik heb de kruk uit zijn handen gepakt en wilde de rolstoel van dhr. op de rem zetten. Dit
wilde ik doen, zodat hij zich niet kon bezeren. Een andere collega was er toevallig bij en vertelde dat
dit niet mocht. Zij legde mij uit dat dit de vrijheid van dhr. belemmerde.
Explicitering:
2. Wat is de morele vraag?
In hoeverre moet dhr. wel of niet in zijn rolstoel op de rem wanneer hij onrustig wordt en
zichzelf mogelijk schade kan toebrengen?
3. Welke handelingsmogelijkheden staan op het eerste gezicht open?
A: Dhr. op de rem zetten.
B: Dhr. niet op de rem zetten.
C: Ervoor zorgen dat er geen voorwerpen in de buurt liggen die dhr. kunnen schaden.
4. Welke feitelijke informatie ontbreekt er op dit moment?
Hoe zou dhr. zich gedragen als hij de hele dag op de rem staat?
Wat vindt mw. Kramer ervan?
Wat vindt dhr. Kramer ervan?
Wat gebeurt er als je de ruimte veilig maakt van losse voorwerpen?
Waarom wordt dhr. zo onrustig? Is dit omdat dhr. niks te doen heeft? Komt het door
de hallucinaties?