Onderzoeksvaardigheden
Hoofdstuk 1: basisbegrippen
1.1 Wat is wetenschappelijk onderzoek?
Kern v onderzoek
Vragen stellen over verschijnselen id SL
Vragen beantwoorden adhv strikte regels en stappenplan
Cyclisch proces
meerwaarde
1.2 Soorten onderzoek
Doelen
1. Fundamenteel of theoriegericht onderzoek
Doel= nieuwe algemene kennis verwerven
Gericht op beschrijven, begrijpen, verklaren & voorspellen v verschijnselen
Belang van theoretische inzichten
Geen direct maatschappelijk nut ( je hoopt wel dat iemand er iets mee doet)
2. Toegepast of praktijkgericht onderzoek
Doel= verkrijgen v kennis om verschijnselen te beïnvloeden & veranderen
Vraag komt vanuit de praktijk (iem vraagt hulp)
Toepassing theoretische kennis (theoriegericht onderzoek is hier nodig)
Beide types moeten uitgevoerd worden en moeten aan dezelfde voorwaarden/criteria voldoen!
grondvormen
1. Kwantitatief
Vb: hvl mensen laten zich niet vaccineren?
2. Kwalitatief
Vb: mensen uitnodigen om te vragen wrm men zich niet laat vaccineren
Gaat niet over de cijfers, maar over de manier waarop het onderzoek werd afgenomen
tijdsperspectieven
1. Cross-sectioneel vs. Longitudinaal
Cross: op 1 tijdstip (1 bepaalde groep mensen word 1x ondervraagd)
Longitudinaal: op verschillende tijdstippen
2. Trendonderzoek vs. Panelonderzoek
1
, Trendonderzoek: zelfde onderzoek meerdere keren uitvoeren met verschillende mensen
om een trend te onderzoeken & om te vergelijken (longitudinaal)
Panelonderzoek: zelfde onderzoek meerdere keren uitvoeren met dezelfde mensen om
de evolutie de onderzoeken & om te vergelijken (cross-sectioneel)
3. Retrospectief vs. Prospectief
Retro: vragen over verleden (cross-sectioneel)
o Niet altijd ideaal herinneringen vervagen
o Kan soms niet anders (vb: vragen over een historische gebeurtenis)
Pro: bevraging in het heden en de toekomst (longitudinaal)
o Accuraat
o Mensen kunnen wegvallen of zijn onbereikbaar geworden
o Lang wachten tot resultaat
1.3 Eisen aan onderzoek
Wetenschappelijke eisen
1. Empirische eis
Controleerbaar en toetsbaar
Empirische cyclus
o Inductie: iets vaststellen/observeren en daaruit een theorie opbouwen
wetmatigheden
o Deductie: je hebt een theorie en toets die af id realiteit (kijken of het klopt) via
onderzoeksvragen/onderzoekshypothesen
2. Onafhankelijk en objectief
Onafhankelijk v opdrachtgever
o Opdrachtgever mag er geen persoonlijke voordeel uit halen
Onafhankelijk onderzoeker
o Onderzoeker mag het onderzoek niet in een bepaalde richting sturen (vb: face-
to-face vragen men durft niks negatief zeggen, krijgt de kans niet…)
3. Betrouwbaarheid
Exactheid
Herhalen onderzoek
Afwezigheid toevallige fouten, de resultaten zijn niet toevallig
o Hoe meer toevallige fouten, hoe onbetrouwbaarder
Hoe meer personen, hoe betrouwbaarder omvang
Betrouwbaarheid kan in alle fasen vh onderzoek op de helling staan
Elke keer hetzelfde uitkomen= betrouwbaar (maar daarvoor niet geldig!)
Vooral belangrijk in kwantitatief onderzoek
o Betrouwbaarheid als voorwaarde voor geldigheid, maar geen garantie erop
o Betrouwbaarheid op zicht niet voldoende
2
, 4. Geldigheid/validiteit
Meet het onderzoek wat het moet meten?
Gebrek aan systematische fouten vertekening (bias)
Herwerking onderzoeksonderwerp nodig om fouten te vermijden
Ethische eisen
1. Recht op info
Soms pas achteraf! Soms misleiding!
o In sommige gevallen, wnr eerlijk: niet meer geldig (vb: test emotioneel eten)
2. Vrijwilligheid
Men mag op elk moment stoppen met het onderzoek
3. Anonimiteit & vertrouwelijkheid
Praktische eisen
1. Efficiënt & budgetvriendelijk
2. Resultaten bruikbaar (zeker bij praktijkgericht onderzoek)
1.4 Onderzoeksproces: fasen in onderzoek
Hoofdstuk 2: het onderzoeksplan
2.1 Probleemstelling
Aanleiding
Aanleiding tot onderzoek over bepaald onderwerp
o Opdrachtgever
Overheid/publieke instanties/instellingen
Private/commerciële sector
o Onderzoeker
Wie voert het uit?
Hoe is de onderzoeker/opdrachtgever op dit onderwerp gekomen?
Aanleiding= niet altijd een probleem
3
Hoofdstuk 1: basisbegrippen
1.1 Wat is wetenschappelijk onderzoek?
Kern v onderzoek
Vragen stellen over verschijnselen id SL
Vragen beantwoorden adhv strikte regels en stappenplan
Cyclisch proces
meerwaarde
1.2 Soorten onderzoek
Doelen
1. Fundamenteel of theoriegericht onderzoek
Doel= nieuwe algemene kennis verwerven
Gericht op beschrijven, begrijpen, verklaren & voorspellen v verschijnselen
Belang van theoretische inzichten
Geen direct maatschappelijk nut ( je hoopt wel dat iemand er iets mee doet)
2. Toegepast of praktijkgericht onderzoek
Doel= verkrijgen v kennis om verschijnselen te beïnvloeden & veranderen
Vraag komt vanuit de praktijk (iem vraagt hulp)
Toepassing theoretische kennis (theoriegericht onderzoek is hier nodig)
Beide types moeten uitgevoerd worden en moeten aan dezelfde voorwaarden/criteria voldoen!
grondvormen
1. Kwantitatief
Vb: hvl mensen laten zich niet vaccineren?
2. Kwalitatief
Vb: mensen uitnodigen om te vragen wrm men zich niet laat vaccineren
Gaat niet over de cijfers, maar over de manier waarop het onderzoek werd afgenomen
tijdsperspectieven
1. Cross-sectioneel vs. Longitudinaal
Cross: op 1 tijdstip (1 bepaalde groep mensen word 1x ondervraagd)
Longitudinaal: op verschillende tijdstippen
2. Trendonderzoek vs. Panelonderzoek
1
, Trendonderzoek: zelfde onderzoek meerdere keren uitvoeren met verschillende mensen
om een trend te onderzoeken & om te vergelijken (longitudinaal)
Panelonderzoek: zelfde onderzoek meerdere keren uitvoeren met dezelfde mensen om
de evolutie de onderzoeken & om te vergelijken (cross-sectioneel)
3. Retrospectief vs. Prospectief
Retro: vragen over verleden (cross-sectioneel)
o Niet altijd ideaal herinneringen vervagen
o Kan soms niet anders (vb: vragen over een historische gebeurtenis)
Pro: bevraging in het heden en de toekomst (longitudinaal)
o Accuraat
o Mensen kunnen wegvallen of zijn onbereikbaar geworden
o Lang wachten tot resultaat
1.3 Eisen aan onderzoek
Wetenschappelijke eisen
1. Empirische eis
Controleerbaar en toetsbaar
Empirische cyclus
o Inductie: iets vaststellen/observeren en daaruit een theorie opbouwen
wetmatigheden
o Deductie: je hebt een theorie en toets die af id realiteit (kijken of het klopt) via
onderzoeksvragen/onderzoekshypothesen
2. Onafhankelijk en objectief
Onafhankelijk v opdrachtgever
o Opdrachtgever mag er geen persoonlijke voordeel uit halen
Onafhankelijk onderzoeker
o Onderzoeker mag het onderzoek niet in een bepaalde richting sturen (vb: face-
to-face vragen men durft niks negatief zeggen, krijgt de kans niet…)
3. Betrouwbaarheid
Exactheid
Herhalen onderzoek
Afwezigheid toevallige fouten, de resultaten zijn niet toevallig
o Hoe meer toevallige fouten, hoe onbetrouwbaarder
Hoe meer personen, hoe betrouwbaarder omvang
Betrouwbaarheid kan in alle fasen vh onderzoek op de helling staan
Elke keer hetzelfde uitkomen= betrouwbaar (maar daarvoor niet geldig!)
Vooral belangrijk in kwantitatief onderzoek
o Betrouwbaarheid als voorwaarde voor geldigheid, maar geen garantie erop
o Betrouwbaarheid op zicht niet voldoende
2
, 4. Geldigheid/validiteit
Meet het onderzoek wat het moet meten?
Gebrek aan systematische fouten vertekening (bias)
Herwerking onderzoeksonderwerp nodig om fouten te vermijden
Ethische eisen
1. Recht op info
Soms pas achteraf! Soms misleiding!
o In sommige gevallen, wnr eerlijk: niet meer geldig (vb: test emotioneel eten)
2. Vrijwilligheid
Men mag op elk moment stoppen met het onderzoek
3. Anonimiteit & vertrouwelijkheid
Praktische eisen
1. Efficiënt & budgetvriendelijk
2. Resultaten bruikbaar (zeker bij praktijkgericht onderzoek)
1.4 Onderzoeksproces: fasen in onderzoek
Hoofdstuk 2: het onderzoeksplan
2.1 Probleemstelling
Aanleiding
Aanleiding tot onderzoek over bepaald onderwerp
o Opdrachtgever
Overheid/publieke instanties/instellingen
Private/commerciële sector
o Onderzoeker
Wie voert het uit?
Hoe is de onderzoeker/opdrachtgever op dit onderwerp gekomen?
Aanleiding= niet altijd een probleem
3