Maatschappijleer pluriforme samenleving
Begrippen
Paragraaf 1:
Vrijheidsdrang = de behoefte om vrij te zijn
Ordening = groeperen volgens bepaalde kenmerken
Pluriforme samenleving = een land waarin mensen van verschillende sociale klassen, godsdiensten en
levensstijlen samenleven.
Republiek der Verenigde Provinciën = de zelfstandigheid in steden en gewesten was sterk vandaar
dat Nederland zichzelf de republiek der verenigde Provinciën noemt.
Morele geografie = het dicht op elkaar leven van mensen op een klein grondgebied heeft invloed op
de manier waarop mensen met elkaar omgaan.
Pragmatische tolerantie = het profijt zwaarder laten wegen dan de principes van het geloof.
Tolerantie = bereidheid om dingen te verdragen die ergernis kunnen oproepen.
Gedogen = iets wat bij de wet verboden is, maar in de praktijk is toegestaan
Vrijheid van geweten = de vrijheid om er bepaalde denkbeelden op na te houden.
Openheid = niet achter gesloten deuren
Principiële tolerantie = volgens een overtuiging of principe
Dissident = iemand met een andere mening dan anderen in een groep.
Poldermodel = besturen en besluiten nemen door middel van overleg.
Pacificatiedemocratie = staatsvorm waarbij de leiders ondanks hun meningsverschillen de bereidheid
vertonen om samen te werken.
Matiging = afzwakking
Conformisme = het verlangen om zich aan te passen aan de opvattingen en gedragingen van de
meerderheid in de samenleving.
Polarisatie = het veroorzaken van een conflict of het versterken van tegenstellingen tussen partijen of
bevolkingsgroepen.
Politiek conflict = conflicten tussen politici en burgers.
Sociaal conflict = interculturele conflicten
Globalisering = proces waarbij landen op economisch, cultureel, sociaal en politiek gebied met elkaar
verbonden worden.
Sociale cohesie = het aantal en de kwaliteit van bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader
met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van
verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn, en de mate waarin anderen daar ook een beroep op
kunnen doen.
Begrippen
Paragraaf 1:
Vrijheidsdrang = de behoefte om vrij te zijn
Ordening = groeperen volgens bepaalde kenmerken
Pluriforme samenleving = een land waarin mensen van verschillende sociale klassen, godsdiensten en
levensstijlen samenleven.
Republiek der Verenigde Provinciën = de zelfstandigheid in steden en gewesten was sterk vandaar
dat Nederland zichzelf de republiek der verenigde Provinciën noemt.
Morele geografie = het dicht op elkaar leven van mensen op een klein grondgebied heeft invloed op
de manier waarop mensen met elkaar omgaan.
Pragmatische tolerantie = het profijt zwaarder laten wegen dan de principes van het geloof.
Tolerantie = bereidheid om dingen te verdragen die ergernis kunnen oproepen.
Gedogen = iets wat bij de wet verboden is, maar in de praktijk is toegestaan
Vrijheid van geweten = de vrijheid om er bepaalde denkbeelden op na te houden.
Openheid = niet achter gesloten deuren
Principiële tolerantie = volgens een overtuiging of principe
Dissident = iemand met een andere mening dan anderen in een groep.
Poldermodel = besturen en besluiten nemen door middel van overleg.
Pacificatiedemocratie = staatsvorm waarbij de leiders ondanks hun meningsverschillen de bereidheid
vertonen om samen te werken.
Matiging = afzwakking
Conformisme = het verlangen om zich aan te passen aan de opvattingen en gedragingen van de
meerderheid in de samenleving.
Polarisatie = het veroorzaken van een conflict of het versterken van tegenstellingen tussen partijen of
bevolkingsgroepen.
Politiek conflict = conflicten tussen politici en burgers.
Sociaal conflict = interculturele conflicten
Globalisering = proces waarbij landen op economisch, cultureel, sociaal en politiek gebied met elkaar
verbonden worden.
Sociale cohesie = het aantal en de kwaliteit van bindingen die mensen in een ruimer sociaal kader
met elkaar hebben, het gevoel een groep te zijn, lid te zijn van een gemeenschap, de mate van
verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn, en de mate waarin anderen daar ook een beroep op
kunnen doen.