Plichtenleer & ethisch handelen ....................................................................................................................... 3
I. Hoofdstuk 1: Ethiek & moraal ................................................................................................................... 3
A. Inleiding................................................................................................................................................ 3
B. Begrippenkader .................................................................................................................................... 3
C. Onderzoeksdomeinen ethiek ............................................................................................................. 11
D. De oorsprong van de moraal.............................................................................................................. 13
E. Over menselijk gedrag ....................................................................................................................... 16
II. Hoofdstuk 2: Ethische theorieën ............................................................................................................. 19
A. Mondiale ethiek ................................................................................................................................. 19
B. Deugdenethiek ................................................................................................................................... 19
C. Consequentialisme of gevolgenethiek ............................................................................................... 19
D. Plichtsethiek / deontologie ................................................................................................................ 24
E. Andere ethische theorieën ................................................................................................................ 29
III. Hoofdstuk 3: organisatie & bedrijfsethiek .............................................................................................. 31
A. Organisatie- en bedrijfsethiek in vogelvlucht .................................................................................... 31
B. Publieke vs. private organisaties ........................................................................................................ 32
C. Individu bedrijfscontext ..................................................................................................................... 34
D. Corruptie & fraude ............................................................................................................................. 40
IV. Hoofdstuk 4: De vastgoedsector ............................................................................................................. 41
A. Een sector in kaart ............................................................................................................................. 41
B. Uitgelicht: het beroep van de vastgoedmakelaar .............................................................................. 43
C. Het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars (BIV) .......................................................................... 43
D. Beroeps- en belangenverenigingen ................................................................................................... 45
V. Hoofdstuk 5: ethiek in de vastgoedsector ............................................................................................... 48
A. Een kader voor ethisch handelen ....................................................................................................... 48
B. Ethische beginselen voor vastgoedmakelaars ................................................................................... 48
C. Overkoepelende regelgeving ............................................................................................................. 60
D. Andere beroepscodes in de sector .................................................................................................... 64
VI. Hoofdstuk 6: Moreel leren ...................................................................................................................... 77
A. Ethische besluitvorming en het vormen van een zelfstandig moreel ................................................ 77
VII. College 9: betrokkken identificeren – 7-stappenplan ......................................................................... 89
1
,2
, Plichtenleer & ethisch handelen
We beschouwen bedrijfs- en organisatie-ethiek op 2 niveaus:
Individuele
Organisatieniveau
I. Hoofdstuk 1: Ethiek & moraal
A. Inleiding
Menselijk gedrag → verzameling v. gemaakte keuzes & gestelde handelingen v/e persoon onder
impuls v. zijn individuele natuurlijke + culturele gesteldheid + zijn
samenleven met andere mensen
Ethisch handelen → gaat over het (niet) maken van keuzes en het (niet) stellen van handelingen
B. Begrippenkader
a) Filosofie:
• Betekenis + ontstaan
Filosofie (= Grieks: Philos = houden van + Sophia = wijsheid)
1e natuurfilosofen: natuur, wereld, rondom, kosmos
Westerse filosofie → 800 - 400 v.o.t ontstaan in oude Griekenland + Turkije
Polis & agora (markt) -> Athene, steden = broeinest v. creativiteit, cultuur & innovatie
→ politiek, rechtspraak & zakenleven vonden plaats op de markt (= agora)
Democratie ontstond ttv. Pericles (495-429)
Filosofie werd ter lering & vermaak aangeboden à burgers v/d polis
Filo houdt midden tussen de exxacte wetenschappen & de theologie
• De academia
Amfitheater: tragedies
3 KENNISGEBIEDEN :
1) Logica = hoe kun je à betrouwbare kennis komen? → kennis- & taaltheorie
2) Fysica = hoe zit de wereld in elkaar? → alles wat wetenschappelijk is
3) Ethica = Wat hoor je wel/niet te doen? → kennis over handelen, moraal, zeden & gewoonten
Dogma’s = officieel aanvaarde voorstellingen van zaken waaraan niet meer wordt getwijfeld
Pre-socratici
• Rationalisme VS. empirisme
Vergaren & organiseren v. kennis & toetsen v/d betrouwbaarheid
2 UITGANGSPUNTEN :
1) Rationalisme
2) Empirisme
3
, Bron v. dualiteit zoeken bij: Parmenides ( 515-450 v.o.t.) + Herakleitos (540-480 v.o.t.)
Herakleitos: Pantha Rhei → alles stroomt, niets blijft gelijk
Wereld is zodanig veranderlijk, we kunnen geen vaste begrippen erop kleven
Parmenides: tegenovergestelde
Stelde dat we vaste begrippen hebben om de wereld te begrijpen waarmee we dat perfect
kunnen doen
In navolging: Aristoteles & Plato → grondleggers v/h rationalisme + empirisme
Rationalisme = Legt nadruk op mogelijkheden v/d menselijke reden, zintuigelijke ervaring komt op 2e
plaats. Wetenschappelijke methode = wiskundig + deductief
Vb. deductie:
“Alle mensen = sterfelijk” (→ algemen)
“Socrates = een mens” (→ bijzonder)
“Socrates = sterfelijk” (→ conclusie)
Empirisme = Nadruk ligt op ondervindingen & waarnemingen als basis voor betrouwbare kennis.
Inductieve methode wordt gebruikt → vertrekt vanuit concrete particuliere waaruit dan
algemene stellingen worden afgeleid
Vb. inductief redeneren:
“Ik zie een bruine eend in het park” (→ waarneming 1)
“Ik zie een 2e bruine eend in het park” (→ waarneming 2)
“Alle eenden in het park zijn bruin” (→ conclusie)
VALKUIL :
Rationalisme = risico voor te abstracte visies die ver v/d werkelijkheid liggen is groot
Empirisme = je baseert je op ervaringsgegevens, moeilijke is hoe je naar algemene
wetten + uitspraken komt (= inductieprobleem)
b) Ethiek:
Èthos = gewoonten, gebruiken of zeden, houding
Deel v/d filosofie
Centrale vraag = “Welke menselijke beslissingen/handelingen zijn goed of toelaatbaar & welke slecht
of niet toelaatbaar”
Ethiek = houdt zich bezig met het onderzoek & de rechtvaardiging van ethische waarden (waarom vind
ik dit juist of fout?), morele normen & waardenstelsels
Ethiek = onstaan bij Socrates
4