Samenvatting Bouwkunde
Bouwstijlen
Romaans (1000-1200)
- Donker, somber
- Laag
- Kleine vensters
- Dikke zware muren
- Korte brede torens
- Stenen (half) ronde boogramen
- Boogvormige timpanen boven
ramen en deuren
- Turfsteen/zandsteen
Gotiek (1200-1500)
- Hoog, verticaal, smal
- Smalle hoge ramen
- Spitsbogen
- Luchtbogen
- Kruisribgewelven
- Laatgotische kerken hebben soms een stompe toren
Renaissance (1500-1600)
(Italiaans voor ‘’wedergeboorte’’)
- Teruggrijpen naar het verleden,
klassiek
- Harmonie en proportie zijn
belangrijk
- Geometrische basisvormen
- Samengesmolten; je kunt geen
onderdeel weghalen, dit zou de
harmonie verstoren
- Trapgevels
- Kruiskozijnen
- Speklagen in gevels
- Klassieke elementen in de gevels;
zuilen, frontons, pilasters, koepels, triomfbogen,
tempelvormen, ronde bogen
- Speklagen
1
, Classicisme (1630-1700)
- Griekse/Romeinse bouwkunsten
- Pilasters in de gevels die doorlopen
- Fronton met timpaan
- Gevels zijn bekleed met natuursteen
- Festoenen(slingers)
Barok (1600-1800)
- Accentuering van dynamische structuren
- Bewogen krachtige plastische vormen
- Koepelbouw of emotionele bouwstijl
- Symmetrisch opgezet
- Overdadige overdreven vormen
- Speels gebruik van versieringen zoals engeltjes
- De deur of poort is meestal het meest uitgewerkt
Neoclassicisme (1800-1850)
- Strenge, eenvoudige vormen
- Symmetrisch
- Blokvormig
- Klassieke vormen
- Weinig versieringen
- Timpaan, kolossale zuilen die een fronton
dragen
- Sterk benadrukt overkapte entree
- Bepleisterde gevels
- Vrijstaande zuilen of pilasters
-
Eclecticisme (1850-1900)
- Mengelmoes van stijl, oud met nieuw
- Motieven
- Gietijzer
- Drukke composities
- Witgepleisterde woningen
- Stijlkenmerken door elkaar
gebruikt
2
, Neostijlen
Neo-Romaans: Door de Romaanse architectuur
geïnspireerde bouwstijl(zuilen)
Neo-Renaissance: Trapgevels, sierankers
Neo-gotiek: Alle gotiek-kenmerken worden gebruikt
Art Nouveau/Jugendstil/Art Deco
- De natuur werd als voorbeeld genomen
- Gestileerde figuren: plantenstengels
- Geglazuurde bakstenen
- Gekleurde tegels
- Grote glasoppervlakken en ijzeren omlijstingen
- Giet en smeetijzer
- Serres en trappenhuizen
- Glazen lichtkoepels
- Asymmetrische en golvende lijnen
Rationalisme en Amsterdamse school (1900-1920)
- Zuiver gebruik van bouwmaterialen en het laten zien van de
constructie
- Strakke vormen
- Veel bakstenen
- Stalen spanten
- Golvende gevelwanden
- Uitbouwtjes en torentjes
- Laddervensters
Functionalisme (1920-1960)
- Nieuwe materialen
- Nieuwe constructiemethoden
- Stalen ramen
- Betonskelet
- Grotere raamopeningen
- Functionele bouw
- Ruimte is belangrijker dan vorm
- Sober, weinig tot geen ornamenten
De Stijl (1917-1932)
- Vierkant
- Primaire vlakken
3
, - Grote glasvlakken
Structuralisme (1955-1980)
- Verzet tegen de eenvormigheid
- Vrij en speels van basiseenheden
- Gemeenschappelijke ruimtes
- Kubussen
Postmodernisme (1980-2000)
- Nadruk niet meer op functioneel
- Klassieke elementen
- Uitvergroten van bouwdelen
- Wonderlijke vlakken en hoeken
- Speels en vrij
Welke Nederlandse architectuurstroming kenmerkt zich door kubische vormen, het gebruik
van veel baksteen en een voorkeur voor platte daken?
De Haagse School
Waarvoor dient een raaplaag?
Een raaplaag is een laag mortelspecie van meer dan 5mm dik, die vlak is afgewerkt en die
dient om een volgende stuclaag op te bevestigen. Raapwerk vindt vooral plaats in natte
ruimte, om de muur van een goede laag te voorzien waardoor waterslag minder snel zal
optreden en om een goede basis te leggen.
Waarvoor dient een dilatatievoeg in een bakstenen muur?
Om zetting op te vanden
Een goed metselverband voor een halfsteensmuur is:
Een klezorenverband
De theoretische levensduur van voegwerk is 40jaar
4
Bouwstijlen
Romaans (1000-1200)
- Donker, somber
- Laag
- Kleine vensters
- Dikke zware muren
- Korte brede torens
- Stenen (half) ronde boogramen
- Boogvormige timpanen boven
ramen en deuren
- Turfsteen/zandsteen
Gotiek (1200-1500)
- Hoog, verticaal, smal
- Smalle hoge ramen
- Spitsbogen
- Luchtbogen
- Kruisribgewelven
- Laatgotische kerken hebben soms een stompe toren
Renaissance (1500-1600)
(Italiaans voor ‘’wedergeboorte’’)
- Teruggrijpen naar het verleden,
klassiek
- Harmonie en proportie zijn
belangrijk
- Geometrische basisvormen
- Samengesmolten; je kunt geen
onderdeel weghalen, dit zou de
harmonie verstoren
- Trapgevels
- Kruiskozijnen
- Speklagen in gevels
- Klassieke elementen in de gevels;
zuilen, frontons, pilasters, koepels, triomfbogen,
tempelvormen, ronde bogen
- Speklagen
1
, Classicisme (1630-1700)
- Griekse/Romeinse bouwkunsten
- Pilasters in de gevels die doorlopen
- Fronton met timpaan
- Gevels zijn bekleed met natuursteen
- Festoenen(slingers)
Barok (1600-1800)
- Accentuering van dynamische structuren
- Bewogen krachtige plastische vormen
- Koepelbouw of emotionele bouwstijl
- Symmetrisch opgezet
- Overdadige overdreven vormen
- Speels gebruik van versieringen zoals engeltjes
- De deur of poort is meestal het meest uitgewerkt
Neoclassicisme (1800-1850)
- Strenge, eenvoudige vormen
- Symmetrisch
- Blokvormig
- Klassieke vormen
- Weinig versieringen
- Timpaan, kolossale zuilen die een fronton
dragen
- Sterk benadrukt overkapte entree
- Bepleisterde gevels
- Vrijstaande zuilen of pilasters
-
Eclecticisme (1850-1900)
- Mengelmoes van stijl, oud met nieuw
- Motieven
- Gietijzer
- Drukke composities
- Witgepleisterde woningen
- Stijlkenmerken door elkaar
gebruikt
2
, Neostijlen
Neo-Romaans: Door de Romaanse architectuur
geïnspireerde bouwstijl(zuilen)
Neo-Renaissance: Trapgevels, sierankers
Neo-gotiek: Alle gotiek-kenmerken worden gebruikt
Art Nouveau/Jugendstil/Art Deco
- De natuur werd als voorbeeld genomen
- Gestileerde figuren: plantenstengels
- Geglazuurde bakstenen
- Gekleurde tegels
- Grote glasoppervlakken en ijzeren omlijstingen
- Giet en smeetijzer
- Serres en trappenhuizen
- Glazen lichtkoepels
- Asymmetrische en golvende lijnen
Rationalisme en Amsterdamse school (1900-1920)
- Zuiver gebruik van bouwmaterialen en het laten zien van de
constructie
- Strakke vormen
- Veel bakstenen
- Stalen spanten
- Golvende gevelwanden
- Uitbouwtjes en torentjes
- Laddervensters
Functionalisme (1920-1960)
- Nieuwe materialen
- Nieuwe constructiemethoden
- Stalen ramen
- Betonskelet
- Grotere raamopeningen
- Functionele bouw
- Ruimte is belangrijker dan vorm
- Sober, weinig tot geen ornamenten
De Stijl (1917-1932)
- Vierkant
- Primaire vlakken
3
, - Grote glasvlakken
Structuralisme (1955-1980)
- Verzet tegen de eenvormigheid
- Vrij en speels van basiseenheden
- Gemeenschappelijke ruimtes
- Kubussen
Postmodernisme (1980-2000)
- Nadruk niet meer op functioneel
- Klassieke elementen
- Uitvergroten van bouwdelen
- Wonderlijke vlakken en hoeken
- Speels en vrij
Welke Nederlandse architectuurstroming kenmerkt zich door kubische vormen, het gebruik
van veel baksteen en een voorkeur voor platte daken?
De Haagse School
Waarvoor dient een raaplaag?
Een raaplaag is een laag mortelspecie van meer dan 5mm dik, die vlak is afgewerkt en die
dient om een volgende stuclaag op te bevestigen. Raapwerk vindt vooral plaats in natte
ruimte, om de muur van een goede laag te voorzien waardoor waterslag minder snel zal
optreden en om een goede basis te leggen.
Waarvoor dient een dilatatievoeg in een bakstenen muur?
Om zetting op te vanden
Een goed metselverband voor een halfsteensmuur is:
Een klezorenverband
De theoretische levensduur van voegwerk is 40jaar
4