Infectieziekten
1. Basisbegrippen
Epidemiologie: wetenschappelijke studie van het voorkomen & van de verspreiding van ziekten binnen
& tss populaties
Prevalentie: aantal bestaande ziektegevallen op een bepaald moment
Incidentie: aantal nieuwe gevallen van een ziekte in een bepaalde periode in een bepaalde populatie
Epidemie: opvallende toename van aantal gevallen van een bepaalde ziekte in een bepaalde periode
in een bepaald gebied
Pandemie: ziekte die nieuw is voor een populatie & die infecterend is. Epidemie die zich naar andere
landen & werelddelen verspreidt
Endemische ziekte: ziekte die langdurig in een bepaalde populatie aanwezig is & waarbij het aantal
nieuwe besmettingen constant blijft (vb: cholera in India, waterpokken in Europa…)
Commensaal: kostganger, mee-eter in lichaam zonder iets te beschadigen (vb: bacteriën in de darmen)
Opportunistische infectie: infectie die optreedt bij iemand met een verminderd afweersysteem,
iemand die ziek is of iemand die verzwakt is tov de ‘normale’ toestand. Ze kunnen ziek geraken door
normaal niet-schadelijke bacteriën aangezien deze de opportuniteit krijgen om zich te ontwikkelen
om ons ziek te maken
2. Overdracht
2.1 Termen
Reservoir: ziektebron
Fomieten: besmette voorwerpen
Dragers: personen die besmet zijn maar geen symptomen hebben
2.2 Overdracht zelf
Kan:
• Horizontaal: rechtstreeks vanuit de bron
• Verticaal: van moeder op kind
• Direct: aanraken, kussen, seksueel contact…
• Indirect: zakdoeken, vuile injectienaalden, vervuild water…
Overdracht gebeurt via een porte d’entrée:
• Aërogene besmetting: via luchtwegen
• Enterale besmetting: via maag & darm
• Genitale besmetting: via geslachtsorganen
• Parenterale besmetting: door huid via wondjes, beten, injecties…
1
, 2.3 Overdracht vermijden
Reinigen: verwijderen van zichtbaar vuil & onzichtbaar organisch materiaal
Desinfecteren: inactiveren/verminderen van aantal schadelijke micro-organismen op levenloze
oppervlakken, huid of slijmvliezen adhv alcohol, chloor, verhitting (heet water/stoom)
Sterilisatie materialen: doden & verwijderen van alle micro-organismen van oppervlakken &
voorwerpen
Aandachtspunten:
• Handhygiëne!!
• Handschoenen (bij contact met lichaamsvocht, slijmvliezen & niet-intacte huid)
• Beschermende kledij (vb schort)
• Mondneusmasker (voorkomen van overdracht van patiënt naar verzorger & vice versa)
• Linnengoed verversen
• Reinigen & desinfecteren
2.4 Ziekenhuisinfecties
= nosocomiale ziekten = zorginfecties of infecties die in een instelling worden opgelopen.
(Ziekenhuis/WZC)
Factoren die nosocomiale ziekten verergeren:
• Gevorderde leeftijd
• Heel jonge leeftijd
• Vermindering van immuniteit
• Diabetes, roken…
• Obesitas
• Ondervoeding
2.4.1 Ziekenhuisbacteriën
= veroorzakers van ziekenhuisinfecties
• Staphylococcus aureus (20% van de infecties) (wordt ook vaak als MRSA genoemd want het is
resistent voor meticilline (= antibiotica))
o Is een stafylococ die toxinen afscheidt & grampositief kleurt
o In 20 – 30% van de gevallen op huid & slijmvliezen van mens & dier
o Bacterie kan huid binnendringen → huidinfecties, wondinfecties, urineweginfecties,
longontsteking.
• MRSA (= meticillineresistente staphylococcus aureus)
• Clostridium difficile
o In darm van gezonde personen
o ‘Normale’ dikke darm: eigen flora aan bacteriën
o Antibioticagebruik: ‘normale’ bacteriën worden getroffen → ruimte komt vrij voor
clostridium difficile om zich te vermenigvuldigen → aangemaakt toxines (gifstoffen)
beschadiging darm & veroorzaken klachten
o Ontstaan infectie: rustoorden & ziekenhuizen (mensen die daar verblijven zijn
verzwakt & gevoeliger voor besmetting)
o Kan in bacterievorm (sterft na contact met lucht & alcohol) & sporevorm (beter
bestand tegen lucht & alcohol) voorkomen
2
1. Basisbegrippen
Epidemiologie: wetenschappelijke studie van het voorkomen & van de verspreiding van ziekten binnen
& tss populaties
Prevalentie: aantal bestaande ziektegevallen op een bepaald moment
Incidentie: aantal nieuwe gevallen van een ziekte in een bepaalde periode in een bepaalde populatie
Epidemie: opvallende toename van aantal gevallen van een bepaalde ziekte in een bepaalde periode
in een bepaald gebied
Pandemie: ziekte die nieuw is voor een populatie & die infecterend is. Epidemie die zich naar andere
landen & werelddelen verspreidt
Endemische ziekte: ziekte die langdurig in een bepaalde populatie aanwezig is & waarbij het aantal
nieuwe besmettingen constant blijft (vb: cholera in India, waterpokken in Europa…)
Commensaal: kostganger, mee-eter in lichaam zonder iets te beschadigen (vb: bacteriën in de darmen)
Opportunistische infectie: infectie die optreedt bij iemand met een verminderd afweersysteem,
iemand die ziek is of iemand die verzwakt is tov de ‘normale’ toestand. Ze kunnen ziek geraken door
normaal niet-schadelijke bacteriën aangezien deze de opportuniteit krijgen om zich te ontwikkelen
om ons ziek te maken
2. Overdracht
2.1 Termen
Reservoir: ziektebron
Fomieten: besmette voorwerpen
Dragers: personen die besmet zijn maar geen symptomen hebben
2.2 Overdracht zelf
Kan:
• Horizontaal: rechtstreeks vanuit de bron
• Verticaal: van moeder op kind
• Direct: aanraken, kussen, seksueel contact…
• Indirect: zakdoeken, vuile injectienaalden, vervuild water…
Overdracht gebeurt via een porte d’entrée:
• Aërogene besmetting: via luchtwegen
• Enterale besmetting: via maag & darm
• Genitale besmetting: via geslachtsorganen
• Parenterale besmetting: door huid via wondjes, beten, injecties…
1
, 2.3 Overdracht vermijden
Reinigen: verwijderen van zichtbaar vuil & onzichtbaar organisch materiaal
Desinfecteren: inactiveren/verminderen van aantal schadelijke micro-organismen op levenloze
oppervlakken, huid of slijmvliezen adhv alcohol, chloor, verhitting (heet water/stoom)
Sterilisatie materialen: doden & verwijderen van alle micro-organismen van oppervlakken &
voorwerpen
Aandachtspunten:
• Handhygiëne!!
• Handschoenen (bij contact met lichaamsvocht, slijmvliezen & niet-intacte huid)
• Beschermende kledij (vb schort)
• Mondneusmasker (voorkomen van overdracht van patiënt naar verzorger & vice versa)
• Linnengoed verversen
• Reinigen & desinfecteren
2.4 Ziekenhuisinfecties
= nosocomiale ziekten = zorginfecties of infecties die in een instelling worden opgelopen.
(Ziekenhuis/WZC)
Factoren die nosocomiale ziekten verergeren:
• Gevorderde leeftijd
• Heel jonge leeftijd
• Vermindering van immuniteit
• Diabetes, roken…
• Obesitas
• Ondervoeding
2.4.1 Ziekenhuisbacteriën
= veroorzakers van ziekenhuisinfecties
• Staphylococcus aureus (20% van de infecties) (wordt ook vaak als MRSA genoemd want het is
resistent voor meticilline (= antibiotica))
o Is een stafylococ die toxinen afscheidt & grampositief kleurt
o In 20 – 30% van de gevallen op huid & slijmvliezen van mens & dier
o Bacterie kan huid binnendringen → huidinfecties, wondinfecties, urineweginfecties,
longontsteking.
• MRSA (= meticillineresistente staphylococcus aureus)
• Clostridium difficile
o In darm van gezonde personen
o ‘Normale’ dikke darm: eigen flora aan bacteriën
o Antibioticagebruik: ‘normale’ bacteriën worden getroffen → ruimte komt vrij voor
clostridium difficile om zich te vermenigvuldigen → aangemaakt toxines (gifstoffen)
beschadiging darm & veroorzaken klachten
o Ontstaan infectie: rustoorden & ziekenhuizen (mensen die daar verblijven zijn
verzwakt & gevoeliger voor besmetting)
o Kan in bacterievorm (sterft na contact met lucht & alcohol) & sporevorm (beter
bestand tegen lucht & alcohol) voorkomen
2