Definitie van leven
● Afgescheiden van leefomgeving
○ Samenstelling organismen = complexer
● Energieopname en -verbruik
○ Meeste energie door zonlicht ⇒ plant ⇒ ander organisme
● Groei
○ Evolutie in tijd, complexiteit neemt toe
○ Organisme ≠ onsterfelijk, sterft af door ouderdom
● Voortplanting
○ Aseksueel of seksueel
○ Vertrekkend van 1 oercel ⇒ lange cellijn
○ Uitsterven soort tegengaan
● Beweging
○ Zelfstandig
● Interpretatie van prikkels
○ Reageren op gegevens uit omgeving
● Communicatie
○ Tussen soortgenoten
○ Tussen cellen ⇒ moleculaire signalen
○ Tussen verschillende soorten = biodiversiteit
‘Waaruit bestaat een levende cel?’
- Cel = eenheid van leven, kleinste deel van levend organisme
- Cel = eenheid afgescheiden van omgeving en bestaat uit een zeer georganiseerde
opbouw die tot stand komt door de wisselwerkingen tussen biomoleculen:
1
, ⇒ Lipiden
⇒ Proteïnen
⇒ Carbohydraten
⇒ Nucleïnezuren
- Doel = gecontroleerde expressie van informatie opbouw
- Prokaryoot en eukaryoot
⇒ eu complexer dan pro
⇒ eu celkern, pro niet
Genen
= informatie bevattende elementen die coderen voor karakteristieken en soort van individu,
erfelijke eigenschappen
● Mendel
○ Experiment kruisen met 2 soorten erwten
■ Lang x kort
● Eerste generatie uitsluitend lang
● Tweede generatie fractie van 25% kort, de rest lang
⇒ Waarneembare eigenschappen = overerfbare eenheden
⇒ Elke cel bevat 2 gekoppelde genen waarbij meerdere allelen
mogelijk zijn
⇒ genen zijn of dominant/recessief of intermediair
● Garrod
○ Alkaptonurie
■ = aandoening door defect gen dat recessief overgeërfd wordt
■ Enzyme dat hoge [] homogentisinezuur afbreekt defect
■ Uit zich in zwart kraakbeen en urine die zwart wordt na blootstelling
aan lucht
‘Welke stoffen bevatten de genetische informatie?’
● Chromosomen = dragers van genen
○ Door microscopische waarnemingen
○ Worden tijdens celdeling zichtbaar en verdeeld over dochtercellen
2