Begrippenlijst Organization Theory
H1. Organisatietheorie en de verschillende perspectieven
Theorie → een set van concepten wiens relatie wordt gebruikt om iets uit te leggen,
begrijpen of waarderen. Betrekking op een fenomeen of interesse.
Concept → verschillende ‘hokjes’ waarin je dingen kan sorteren en organiseren.
Abstractie → het vormen van een concept door gedeelde eigenschappen van
verschillende dingen of mensen te presenteren als een concept.
Heuristics → de regels en strategieën die je leiden tot je keuzes en gedrag.
Kennis structuur → de manier waarop je met kennis omgaat.
Phenonem of interest → het onderwerp en de focus van een theorie.
Theorize → wanneer je ideeën voorstelt over hoe concepten samenhangen tot een
bepaald phenonem of interest.
Theoretical perspective → de blik waarmee je een theorie benadert.
Modern perspective:
- Geeft theorieën die een causale uitleg bieden.
- Gebruikt de kwantitatieve methode.
Symbolic perspective:
- Interpretaties en interpreterende processen zijn feiten over het sociale leven
dat een grote invloed heeft op de organisaties.
- Meer proberen te begrijpen dan uit te leggen.
- Kwalitatieve methode; etnografie.
- Risico: over generalisatie.
Postmodern perspective:
- Leunt op waardering van de phenomena of interest.
- Methode: kritiek, criticism
- Voorkomen reflexiviteit door bewustzijn op te roepen van ethische zaken.
- Kijkt vooral naar macht en taal.
Ontology → de tak van filosofie die omgaat met assumpties over het bestaan en
definities over de realiteit.
Epistemology → de tak van filosofie die bekijkt wat telt als kennis en hoe deze kennis
is gevormd en bekend is geworden.
Modernisten:
- Objectivist ontology: ze zijn in staat om aan te nemen dat er een andere
realiteit bestaat, onafhankelijk van onze percepties ervan.
- Positivist epistemology: kennis is opgedaan door het ontwikkelen en testen
van voorstellen en hypothesen die zijn ontstaan uit theorieën.
, - Reliability: verzekerd dat onderzoeksresultaten niet verschillen bij herhalingen.
- Validity: stelt vast dat wat je wilde onderzoeken ook daadwerkelijk is wat je
hebt onderzocht.
- Generalizability: de mate waarin een theorie kan worden toegepast op
situaties zonder beperkingen.
- Kennis wordt gefilterd door objectiviteit.
Symbolisten:
- Subjectivist ontology: ze zijn vooral geïnteresseerd in fenomenen die door
objectivisten worden gezien als onkenbaar.
- Interpretivist epistomology: kennis kan alleen vergaard en begrepen worden
van binnenin de context die betekenis geeft aan de ervaring van iemand.
- Kennis wordt gefilterd door subjectiviteit.
Postmodernisten:
- Volgens hen is de realiteit een effect van het gesprek; kennis bestaat alleen
taalkundig.
- Linguistic ontology: kennis en weten komt voort uit en in taal.
- Linguistic turn: accepteren dat de wereld is gemaakt door taal.
- Reflexive epistemology: kennis en weten hebben geen fundament in de
realiteit.
H2: A brief history of organization theory
Adam Smith (1723-1790)
- Division of labor
- Task differentiation and specialization; social structure
Karl Marx (1818-1883)
- Economic efficiency
- Power
- Social conflict
- Profitability; economic competition
- Labor → kosten van productie.
- Commodification of labor → wanneer werk wordt gezien als een product.
- Te veel focussen op geld kan leiden tot exploitation → uitbuiting.
- Ook tot alienation → vervreemden van je eigen werk.
Émile Durkheim (1858-1917)
- Voegt hiërarchie en task interdependence toe als concepten gerelateerd aan
de sociale structuur.
- Formal organization → regels, procedures en structuren opgeschreven in een
organisatie.
- Informal organization → de onderlinge sociale stemming tussen medewerkers.
- Organizational culture → de combinatie van formele en informele organisatie.
, Karl Weber (1864-1920)
- Authority structure
- Traditional authority ; gebaseerd op erfgenaam
- Charismatic authority → een individu heeft macht door middel van zijn/haar
volgers wie die persoon zijn als een held.
- Rational-legal authority
- Bureaucracy
- Iron cage → wanneer mensen in een bureaucratie minder beweegruimte
hebben door sterke formalisering.
- Formal rationality → technieken en berekeningen
- Substantive rationality → actie ondernemen wanneer de effectiviteit in twijfel
wordt getrokken.
Frederick Taylor (1856-1915)
- Keek naar motivatie
- Scientific management theory → work standards, doelen stellen, uniforme
methoden etc.
- Efficiency movement
- Taylorism: scientific management
- Fordism → benaming voor scientific management vanuit critici.
- Rationalization
Mary Follett (1868-1933)
- Workplace democracy
- Nonhierarchical structure
- Kijkt naar domination
- Gender
- Communities of practice
Henri Fayol (1841-1925)
- Administrative principles
- Span of control → optimale aantal ondergeschikten per manager
- Unity of command → elke ondergeschikte kan maar reporten aan een baas.
- Handelen via standard operating procedures.
- Delegation → taken onderverdelen
- Departmentalization → gelijke taken groeperen in departement.
- Scalar principle → het systeem dat bazen in een hiërarchische lijn met elkaar
communiceren zodat de organisatie staande blijft.
- Esprit de corps → sentiment en harmonie tussen werknemers in een
goedlopende organisatie.
- Strong culture → komt esprit de corps in terug.
Chesterd Barnard (1886-1961)
- Cooporation
- Communication of goals
H1. Organisatietheorie en de verschillende perspectieven
Theorie → een set van concepten wiens relatie wordt gebruikt om iets uit te leggen,
begrijpen of waarderen. Betrekking op een fenomeen of interesse.
Concept → verschillende ‘hokjes’ waarin je dingen kan sorteren en organiseren.
Abstractie → het vormen van een concept door gedeelde eigenschappen van
verschillende dingen of mensen te presenteren als een concept.
Heuristics → de regels en strategieën die je leiden tot je keuzes en gedrag.
Kennis structuur → de manier waarop je met kennis omgaat.
Phenonem of interest → het onderwerp en de focus van een theorie.
Theorize → wanneer je ideeën voorstelt over hoe concepten samenhangen tot een
bepaald phenonem of interest.
Theoretical perspective → de blik waarmee je een theorie benadert.
Modern perspective:
- Geeft theorieën die een causale uitleg bieden.
- Gebruikt de kwantitatieve methode.
Symbolic perspective:
- Interpretaties en interpreterende processen zijn feiten over het sociale leven
dat een grote invloed heeft op de organisaties.
- Meer proberen te begrijpen dan uit te leggen.
- Kwalitatieve methode; etnografie.
- Risico: over generalisatie.
Postmodern perspective:
- Leunt op waardering van de phenomena of interest.
- Methode: kritiek, criticism
- Voorkomen reflexiviteit door bewustzijn op te roepen van ethische zaken.
- Kijkt vooral naar macht en taal.
Ontology → de tak van filosofie die omgaat met assumpties over het bestaan en
definities over de realiteit.
Epistemology → de tak van filosofie die bekijkt wat telt als kennis en hoe deze kennis
is gevormd en bekend is geworden.
Modernisten:
- Objectivist ontology: ze zijn in staat om aan te nemen dat er een andere
realiteit bestaat, onafhankelijk van onze percepties ervan.
- Positivist epistemology: kennis is opgedaan door het ontwikkelen en testen
van voorstellen en hypothesen die zijn ontstaan uit theorieën.
, - Reliability: verzekerd dat onderzoeksresultaten niet verschillen bij herhalingen.
- Validity: stelt vast dat wat je wilde onderzoeken ook daadwerkelijk is wat je
hebt onderzocht.
- Generalizability: de mate waarin een theorie kan worden toegepast op
situaties zonder beperkingen.
- Kennis wordt gefilterd door objectiviteit.
Symbolisten:
- Subjectivist ontology: ze zijn vooral geïnteresseerd in fenomenen die door
objectivisten worden gezien als onkenbaar.
- Interpretivist epistomology: kennis kan alleen vergaard en begrepen worden
van binnenin de context die betekenis geeft aan de ervaring van iemand.
- Kennis wordt gefilterd door subjectiviteit.
Postmodernisten:
- Volgens hen is de realiteit een effect van het gesprek; kennis bestaat alleen
taalkundig.
- Linguistic ontology: kennis en weten komt voort uit en in taal.
- Linguistic turn: accepteren dat de wereld is gemaakt door taal.
- Reflexive epistemology: kennis en weten hebben geen fundament in de
realiteit.
H2: A brief history of organization theory
Adam Smith (1723-1790)
- Division of labor
- Task differentiation and specialization; social structure
Karl Marx (1818-1883)
- Economic efficiency
- Power
- Social conflict
- Profitability; economic competition
- Labor → kosten van productie.
- Commodification of labor → wanneer werk wordt gezien als een product.
- Te veel focussen op geld kan leiden tot exploitation → uitbuiting.
- Ook tot alienation → vervreemden van je eigen werk.
Émile Durkheim (1858-1917)
- Voegt hiërarchie en task interdependence toe als concepten gerelateerd aan
de sociale structuur.
- Formal organization → regels, procedures en structuren opgeschreven in een
organisatie.
- Informal organization → de onderlinge sociale stemming tussen medewerkers.
- Organizational culture → de combinatie van formele en informele organisatie.
, Karl Weber (1864-1920)
- Authority structure
- Traditional authority ; gebaseerd op erfgenaam
- Charismatic authority → een individu heeft macht door middel van zijn/haar
volgers wie die persoon zijn als een held.
- Rational-legal authority
- Bureaucracy
- Iron cage → wanneer mensen in een bureaucratie minder beweegruimte
hebben door sterke formalisering.
- Formal rationality → technieken en berekeningen
- Substantive rationality → actie ondernemen wanneer de effectiviteit in twijfel
wordt getrokken.
Frederick Taylor (1856-1915)
- Keek naar motivatie
- Scientific management theory → work standards, doelen stellen, uniforme
methoden etc.
- Efficiency movement
- Taylorism: scientific management
- Fordism → benaming voor scientific management vanuit critici.
- Rationalization
Mary Follett (1868-1933)
- Workplace democracy
- Nonhierarchical structure
- Kijkt naar domination
- Gender
- Communities of practice
Henri Fayol (1841-1925)
- Administrative principles
- Span of control → optimale aantal ondergeschikten per manager
- Unity of command → elke ondergeschikte kan maar reporten aan een baas.
- Handelen via standard operating procedures.
- Delegation → taken onderverdelen
- Departmentalization → gelijke taken groeperen in departement.
- Scalar principle → het systeem dat bazen in een hiërarchische lijn met elkaar
communiceren zodat de organisatie staande blijft.
- Esprit de corps → sentiment en harmonie tussen werknemers in een
goedlopende organisatie.
- Strong culture → komt esprit de corps in terug.
Chesterd Barnard (1886-1961)
- Cooporation
- Communication of goals