Steden en burgers in de lage landen (1050-1700)
Feodaal stelsel
Landbouw levert meer op door:
● Ontginning
● Drieslagstelsel
● Nieuwe technieken in landbouw bv. ploeg
Bevolkingsgroei + handel = stad -> specialisatie + toename ruilhandel
Gevolgen toename handel:
● Steden groeien
● Belasting -> leenmannen afkopen -> strijd
● Ontstaan monetaire economie
-> ontstaan agrarisch-urbane samenleving
Opkomst handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een
agrarisch-urbane samenleving
Succes van steden
-> politieke verandering
Stadsrechten -> beschermen van economische en politieke belangen van de stad
-> economische verandering
Marktrecht
Voordelen voor stad:
● Zelfbestuur & zelf recht spreken
● Verdedigingsmuur
Voordelen vorsten:
● Belasting
● Militaire steun
Inwoners van stad -> poorters -> samen vormen burgerij.
Steden waren wel afhankelijk van stadsmuren en boeren -> verzorgingsgebied
Bevolkingsgroei platteland was constant, maar wel veel sterfte in stad. Maakte niet uit.
Atrecht
● Aanwezigheid van bisschop -> veel werkgelegenheid
● Productieve landbouw
● Laken
● Deel groot handelsnetwerk
Economische groei -> groei sociale verschillen -> politieke spanningen
● Schepenbank (vriendjespolitiek)
● Patriciërs (rijke kooplieden) migranten en ambachten waren het gemeen
Feodaal stelsel
Landbouw levert meer op door:
● Ontginning
● Drieslagstelsel
● Nieuwe technieken in landbouw bv. ploeg
Bevolkingsgroei + handel = stad -> specialisatie + toename ruilhandel
Gevolgen toename handel:
● Steden groeien
● Belasting -> leenmannen afkopen -> strijd
● Ontstaan monetaire economie
-> ontstaan agrarisch-urbane samenleving
Opkomst handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een
agrarisch-urbane samenleving
Succes van steden
-> politieke verandering
Stadsrechten -> beschermen van economische en politieke belangen van de stad
-> economische verandering
Marktrecht
Voordelen voor stad:
● Zelfbestuur & zelf recht spreken
● Verdedigingsmuur
Voordelen vorsten:
● Belasting
● Militaire steun
Inwoners van stad -> poorters -> samen vormen burgerij.
Steden waren wel afhankelijk van stadsmuren en boeren -> verzorgingsgebied
Bevolkingsgroei platteland was constant, maar wel veel sterfte in stad. Maakte niet uit.
Atrecht
● Aanwezigheid van bisschop -> veel werkgelegenheid
● Productieve landbouw
● Laken
● Deel groot handelsnetwerk
Economische groei -> groei sociale verschillen -> politieke spanningen
● Schepenbank (vriendjespolitiek)
● Patriciërs (rijke kooplieden) migranten en ambachten waren het gemeen