Anatomie en fysiologie
van de mens
L.L. Kirchmann
, Hoofdstuk 1: inleiding
Anatomie: de wetenschap die zich richt op de Deze twee hangen
nauw met elkaar samen,
structuur en de organisatie van een organisme. om de te bestuderen hoe een
organisme
De bouw er van. werkt, moet bekend zijn hoe het in
elkaar zit.
Fysiologie: de wetenschap die zich bezighoudt
met het bestuderen van de levensverrichtingen Ook hier is een samenhang
tussen deze drie.
(zoals de stofwisseling) van organismen. Een functiestoornis van een
orgaan leidt tot
Pathologie: de wetenschap betreffende veranderingen in de werking
(fysiologie), en
de veranderingen van vormen en functies die leidt dan tot ziekte. Bij
een botbreuk
in een lichaam door ziekten ontstaan. (anatomie) kan het
lichaamsdeel niet meer
De wetenschap die zich bezig houdt met ziektes. functioneren (fysiologie).
Een organisme bestaat uit orgaansystemen, die met elkaar in contact staan en
samenwerken. Het is essentieel voor het functioneren van het organisme.
Anatomie: kennis van de bouw van het menselijk lichaam. Kennis over de
inwendige bouw kan op verschillende manieren worden verkregen. Bijvoorbeeld
door ontleedkunde, hierbij wordt waargenomen met het blote oog. Dit is
macroscopische anatomie. Microscopische anatomie is een aanvulling op
macroscopische anatomie. Hiermee wordt gekeken naar structuren van weefsels
en cellen. De pathologische anatomie kijkt naar de zieke organen.
De histologie bestudeert de leer van de bouw en functie van weefsels, de
cytologie bestudeert de bouw en functie van de cellen. Deze zijn nauw met elkaar
verbonden.
De embryologie de studie van de vroege ontwikkeling van organismen.
De topografische anatomie bestudeert de ligging van organen ten opzichte van
elkaar. Hierbij worden een aantal termen gebruikt:
Het horizontale vlak (transversaal) is een doornsnede die op elk niveau kan
worden gemaakt.
Het verticale vlak wordt verdeeld in het saggitale vlak (van voor naar
achter), het mediane vlak (van voor naar achter door het midden van het
lichaam), het frontale vlak (dwars, van links naar rechts).
Superior: naar boven, in de richting van het hoofd ▪ Posterior: naar
achteren
Inferior: naar beneden, in de richting van de voeten ▪ Aneterior: naar
voren
Dextra: naar rechts ▪ Sinistra: naar links
Lateraal: zijdelings ▪ Mediaal: naar het midden
toe
Proximaal: dichterbij het centrum van het lichaam
Distaal: verder weg van het centrum van het lichaam