lOMoARcPSD|11700591
Sammenvatting EDI - Samenvatting Evolutie en Diversiteit
Evolutie en Diversiteit (Hogeschool Leiden)
StuDocu is not sponsored or endorsed by any college or university
Downloaded by Answerdone
, lOMoARcPSD|11700591
EVOLUTIE
Evolutietheorie van Darwin: afstamming met veranderingen: het idee dat levende soorten afstammen
van voorouderlijke soorten die anders waren dan de huidige.
Descent with modification: We definiëren evolutie als afstamming met modificatie (descent with modification). Dit
gebruikte Darwin om voor te stellen dat vele soorten afstammelingen zijn van voorouderlijke soorten die
afwijken van de huidige soorten.
Natuurlijke selectie: een proces waarbij individuen die bij bepaalde erfelijke kenmerken hebben geneigd zijn
een grotere overlevings- en voortplantingskans te hebben dan andere organismen vanwege die
kenmerken.
De belangrijkste ideeën van natuurlijke selectie:
-Natuurlijke selectie is een proces waarin individuen die een bepaalde erfelijke eigenschap hebben zich beter
kunnen voortplanten en over leven dan individuen die deze eigenschap niet hebben.
-Na verloop van tijd kan natuurlijke selectie de strijd tussen organismen en hun omgeving vergroten.
-Als een omgeving verandert of een individu verplaats zich naar een andere omgeving, kan natuurlijke
selectie resulteren tot aanpassing aan de nieuwe omstandigheden. Soms geeft dit aanleiding tot nieuwe
soorten,
Hoewel de natuurlijke selectie gebeurt door middel van interactie tussen individuen en hun omgeving, INDIVIDUEN
EVOLUEREN NIET! Het is de populatie die evolueert na verloop van tijd.
Adaptie: geërfd kenmerk van een organisme waardoor diens overleving en reproductie in een specifiek milieu
verbetert.
Homologie: gelijkenissen door gemeenschappelijke voorouders. Vergelijkbaarheid van eigenschappen als
resultaat van gedeelde afstamming. (bijv. de botstructuur van de voorpoten van katten lijken op de
botstructuur van mensen armen. Dit komt door dat we van dezelfde voorouder hebben.)
Analogie: twee verschillende organismen die geen gemeenschappelijke voorouder hebben gaan op elkaar
lijken doordat ze zich aanpassen aan hun leefomgeving. (bijv. olifanten en neushoorns zijn allebei
dikhuidige maar hebben geen zelfde voorouder.)
FYLOGENETISCHE RECONSTRUCTIE
Fylogenie: is de studie van de ontstaansgeschiedenis van een groep organismen. Een fylogenie is de
beschrijving van hoe de ene groep organismen is ontstaan uit andere groepen.
Homoplasie: analoge structuren die onafhankelijk zijn ontstaan.
Monofyletisch: een groep van een taxa die bestaat uit een gemeenschappelijke voorouder en al zijn
afstammelingen. (bijv. alle zoogdieren hebben de zelfde voorouder.)
Parafyletisch: een groep taxa waaronder verwante organismen vallen maar niet de meest
recente gemeenschappelijke voorouder. (bijv. dinosaurussen en vogels)
Polyfyletisch: organismen die dezelfde eigenschappen hebben maar niet van de zelfde voorouder afstammen.
(bijv. zeehonden en walvis. Fig. 22.11)
Outgroup: een outgroup is een soort groep van soorten uit een evolutionaire lijn die bekend staan die
uitwijkt van de groep die je bestudeert.
Ingroup: de groep die je bestudeert.
Maximale parsimonie: een principe dat stelt dat wanneer meerdere verklaringen voor een observatie
worden overwogen men eerst de eenvoudigste verklaring moet onderzoeken.
Downloaded by Answerdone
Sammenvatting EDI - Samenvatting Evolutie en Diversiteit
Evolutie en Diversiteit (Hogeschool Leiden)
StuDocu is not sponsored or endorsed by any college or university
Downloaded by Answerdone
, lOMoARcPSD|11700591
EVOLUTIE
Evolutietheorie van Darwin: afstamming met veranderingen: het idee dat levende soorten afstammen
van voorouderlijke soorten die anders waren dan de huidige.
Descent with modification: We definiëren evolutie als afstamming met modificatie (descent with modification). Dit
gebruikte Darwin om voor te stellen dat vele soorten afstammelingen zijn van voorouderlijke soorten die
afwijken van de huidige soorten.
Natuurlijke selectie: een proces waarbij individuen die bij bepaalde erfelijke kenmerken hebben geneigd zijn
een grotere overlevings- en voortplantingskans te hebben dan andere organismen vanwege die
kenmerken.
De belangrijkste ideeën van natuurlijke selectie:
-Natuurlijke selectie is een proces waarin individuen die een bepaalde erfelijke eigenschap hebben zich beter
kunnen voortplanten en over leven dan individuen die deze eigenschap niet hebben.
-Na verloop van tijd kan natuurlijke selectie de strijd tussen organismen en hun omgeving vergroten.
-Als een omgeving verandert of een individu verplaats zich naar een andere omgeving, kan natuurlijke
selectie resulteren tot aanpassing aan de nieuwe omstandigheden. Soms geeft dit aanleiding tot nieuwe
soorten,
Hoewel de natuurlijke selectie gebeurt door middel van interactie tussen individuen en hun omgeving, INDIVIDUEN
EVOLUEREN NIET! Het is de populatie die evolueert na verloop van tijd.
Adaptie: geërfd kenmerk van een organisme waardoor diens overleving en reproductie in een specifiek milieu
verbetert.
Homologie: gelijkenissen door gemeenschappelijke voorouders. Vergelijkbaarheid van eigenschappen als
resultaat van gedeelde afstamming. (bijv. de botstructuur van de voorpoten van katten lijken op de
botstructuur van mensen armen. Dit komt door dat we van dezelfde voorouder hebben.)
Analogie: twee verschillende organismen die geen gemeenschappelijke voorouder hebben gaan op elkaar
lijken doordat ze zich aanpassen aan hun leefomgeving. (bijv. olifanten en neushoorns zijn allebei
dikhuidige maar hebben geen zelfde voorouder.)
FYLOGENETISCHE RECONSTRUCTIE
Fylogenie: is de studie van de ontstaansgeschiedenis van een groep organismen. Een fylogenie is de
beschrijving van hoe de ene groep organismen is ontstaan uit andere groepen.
Homoplasie: analoge structuren die onafhankelijk zijn ontstaan.
Monofyletisch: een groep van een taxa die bestaat uit een gemeenschappelijke voorouder en al zijn
afstammelingen. (bijv. alle zoogdieren hebben de zelfde voorouder.)
Parafyletisch: een groep taxa waaronder verwante organismen vallen maar niet de meest
recente gemeenschappelijke voorouder. (bijv. dinosaurussen en vogels)
Polyfyletisch: organismen die dezelfde eigenschappen hebben maar niet van de zelfde voorouder afstammen.
(bijv. zeehonden en walvis. Fig. 22.11)
Outgroup: een outgroup is een soort groep van soorten uit een evolutionaire lijn die bekend staan die
uitwijkt van de groep die je bestudeert.
Ingroup: de groep die je bestudeert.
Maximale parsimonie: een principe dat stelt dat wanneer meerdere verklaringen voor een observatie
worden overwogen men eerst de eenvoudigste verklaring moet onderzoeken.
Downloaded by Answerdone