Verhoudingen. Procenten, breuken en kommagetallen.
Kommagetallen: decimale breuken, kunnen een verhouding aangeven bij breuken en
procenten.
Breuk: deel van het geheel.
Procent: deel van de 100.
Absolute gegevens: verwijzen naar daadwerkelijke hoeveelheden of aantallen (30
studenten).
Relatieve gegevens: verhoudingsmatige gegevens welke je niet als daadwerkelijk getal kan
aflezen (30).
Strookmodel: hulpmiddel om verschil tussen absoluut en relatief inzichtelijk te maken.
Gebroken getallen: zowel breuken als kommagetallen.
Gebruik van ondermaten: een manier om ervoor te zorgen dat breuken en kommagetallen
niet door elkaar gehaald worden, waarmee kinderen zelf kunnen redeneren.
Breukkommagetal: d.m.v. staartdeling (3/4 4/3).
Kommagetalbreuk: 3,152 = 3 + 152/100 vereenvoudigen is 19/125.
Repeterende breuk: een sliert van decimalen herhaalt zicht. Het kommagetal van de breuk
loopt oneindig door.
Breuk: absoluut getal die te geven is op de getallenlijn. Als operator doet die iets met een
ander getal.
Gelijknamige breuk: deze breuken hebben dezelfde noemer.
Onechte breuken: breuken die nog in elkaar zitten (13/2).
Samengestelde breuken: een breuk waarvan de teller en noemer zelf ook een breuk zijn.
Gemengde breuken: breuken groter dan 1.
Percentage: is altijd relatief = operatief.
Benoemd getal: dat wat een getal is (euro).
Declaratieve kennis: parate kennis (feiten).
Parate feitenkennis: declaratieve kennis.
Formeel niveau: rekenen met cijfers, zonder ondersteunend model.
Gecijferdheid: het vermogen om te kunnen rekenen.
Getalsmatige informatie: de getallen die bijvoorbeeld in een krantenbericht genoemd
worden.
Meetgetal: de getallen waarmee je iets kunt meten.
Modelondersteunend: rekenen met behulp van een model.
Notatie: de manier waarop iets wordt opgeschreven (0,25 of 25% of 1/4).
Ondermaat: een maat die de ll al weten (1000 ml = 1 L of 1000 m = 1 km).
Kommagetallen: decimale breuken, kunnen een verhouding aangeven bij breuken en
procenten.
Breuk: deel van het geheel.
Procent: deel van de 100.
Absolute gegevens: verwijzen naar daadwerkelijke hoeveelheden of aantallen (30
studenten).
Relatieve gegevens: verhoudingsmatige gegevens welke je niet als daadwerkelijk getal kan
aflezen (30).
Strookmodel: hulpmiddel om verschil tussen absoluut en relatief inzichtelijk te maken.
Gebroken getallen: zowel breuken als kommagetallen.
Gebruik van ondermaten: een manier om ervoor te zorgen dat breuken en kommagetallen
niet door elkaar gehaald worden, waarmee kinderen zelf kunnen redeneren.
Breukkommagetal: d.m.v. staartdeling (3/4 4/3).
Kommagetalbreuk: 3,152 = 3 + 152/100 vereenvoudigen is 19/125.
Repeterende breuk: een sliert van decimalen herhaalt zicht. Het kommagetal van de breuk
loopt oneindig door.
Breuk: absoluut getal die te geven is op de getallenlijn. Als operator doet die iets met een
ander getal.
Gelijknamige breuk: deze breuken hebben dezelfde noemer.
Onechte breuken: breuken die nog in elkaar zitten (13/2).
Samengestelde breuken: een breuk waarvan de teller en noemer zelf ook een breuk zijn.
Gemengde breuken: breuken groter dan 1.
Percentage: is altijd relatief = operatief.
Benoemd getal: dat wat een getal is (euro).
Declaratieve kennis: parate kennis (feiten).
Parate feitenkennis: declaratieve kennis.
Formeel niveau: rekenen met cijfers, zonder ondersteunend model.
Gecijferdheid: het vermogen om te kunnen rekenen.
Getalsmatige informatie: de getallen die bijvoorbeeld in een krantenbericht genoemd
worden.
Meetgetal: de getallen waarmee je iets kunt meten.
Modelondersteunend: rekenen met behulp van een model.
Notatie: de manier waarop iets wordt opgeschreven (0,25 of 25% of 1/4).
Ondermaat: een maat die de ll al weten (1000 ml = 1 L of 1000 m = 1 km).