Oefenvragen
1. Een sociale situatie bestaat volgens Hendrix (2014) uit objectieve omstandigheden, reeds
bestaande houdingen van het individu en de groep en de definitie van de situatie door het
individu.
Wat wordt er bedoeld met objectieve omstandigheden?
a. De regels en instituties in de samenleving.
b. Een georganiseerde en vaste manier van denken, voelen en reageren.
c. Een weergave van de interactie binnen de sociale situatie.
- Sociologie is dus een kritische wetenschap.
- Neem dingen met als vanzelfsprekend aan, maar ga relativerend en …. werk.
- Leer verbanden zien tussen individuele problemen en maatschappelijke omstandigheden.
2. Van Maarten wordt verwacht dat hij hard studeert om zijn opleiding dit jaar af te ronden.
Tegelijkertijd wordt hij als student ook aangespoord om veel uit te gaan met zijn nieuwe
vrienden.
Waarvan is dit een voorbeeld?
a. Een extern rolconflict
b. Een enkelzijdig rolconflict
c. Een dubbelzijdig rolconflict
d. Een intern rolconflict
3. Maak de volgende zin kloppend af:
Om lid te zijn van een groepering …..
a. Moet er altijd sprake zijn van een zekere mate van saamhorigheid
b. Moet je gezamenlijk met de andere groeperingsleden af te scheiden zijn van andere mensen.
c. Moet je voldoende intensief contact hebben met het centrale individu in de groepering.
4. Het referendum over Oekraïne (6 april 2016) werd “afgedwongen” door comité Geenpeil. Zij
verzamelde meer dan 300.000 handtekkeingen waardoor het kabinet werd verplicht om het
referendum te organiseren. Geenpeil oefende hiermee gezag uit.
Van welk soort gezag was hier sprake?
a. Rationeel
Want is berust op formele regels, rechtsorde en juridische afspraken omtrent procedures.
b. Traditioneel
c. Charismatisch
1. Een sociale situatie bestaat volgens Hendrix (2014) uit objectieve omstandigheden, reeds
bestaande houdingen van het individu en de groep en de definitie van de situatie door het
individu.
Wat wordt er bedoeld met objectieve omstandigheden?
a. De regels en instituties in de samenleving.
b. Een georganiseerde en vaste manier van denken, voelen en reageren.
c. Een weergave van de interactie binnen de sociale situatie.
- Sociologie is dus een kritische wetenschap.
- Neem dingen met als vanzelfsprekend aan, maar ga relativerend en …. werk.
- Leer verbanden zien tussen individuele problemen en maatschappelijke omstandigheden.
2. Van Maarten wordt verwacht dat hij hard studeert om zijn opleiding dit jaar af te ronden.
Tegelijkertijd wordt hij als student ook aangespoord om veel uit te gaan met zijn nieuwe
vrienden.
Waarvan is dit een voorbeeld?
a. Een extern rolconflict
b. Een enkelzijdig rolconflict
c. Een dubbelzijdig rolconflict
d. Een intern rolconflict
3. Maak de volgende zin kloppend af:
Om lid te zijn van een groepering …..
a. Moet er altijd sprake zijn van een zekere mate van saamhorigheid
b. Moet je gezamenlijk met de andere groeperingsleden af te scheiden zijn van andere mensen.
c. Moet je voldoende intensief contact hebben met het centrale individu in de groepering.
4. Het referendum over Oekraïne (6 april 2016) werd “afgedwongen” door comité Geenpeil. Zij
verzamelde meer dan 300.000 handtekkeingen waardoor het kabinet werd verplicht om het
referendum te organiseren. Geenpeil oefende hiermee gezag uit.
Van welk soort gezag was hier sprake?
a. Rationeel
Want is berust op formele regels, rechtsorde en juridische afspraken omtrent procedures.
b. Traditioneel
c. Charismatisch