MAX DE ROOIJ
Tentamen:
• True false
• Multiple choice’
• Open vragen – verklaring geven voor het correcte antwoord van MC vraag
Examen is online in Testvision
,Lecture 1:
Organization Theory course: What is it NOT about
Organization Theory course: What IS it about
Theories explain and increase understanding of aspects of organization(s). For example:
❖ Waarom bestaan organisaties?
❖ Hoe stellen organisaties doelen?
❖ Wat maakt organisaties anders?
❖ Wanneer en waarom werken organisaties samen?
An elephant is like:
The organization is like:
– a wall
– A sales department
– a spear
– A purchase department
– a snake
– Quality management.
– a tree
– Production
– a fan
– ONLY
– a rope
You need an integrative view: Als je mensen, machtsverdeling, teams, afdelingen, business units, projecten, beheer,
productie, inkoop, etc. toevoegt → heb je full organization + Synergetic effects
Algemene wijsheid en beleidstheorieën
• Ex1: Vrouwen zijn slimmer dan mannen.
• Ex2: Op het gebied van gezondheid was ooit een geloof dat het roken van sigaretten geen riskant gedrag was.
• Ex3: Als de overheid de salariskosten van R&D-medewerkers subsidieert, gaat de innovatie van bedrijven omhoog.
The challenge with “theory”
o We need an integrated AND a focused view!
o De meeste mensen stellen praktijk en theorie tegenover elkaar EN geven de voorkeur aan voorbeelden boven theorieën.
o De praktijk lijdt onder gedeeltelijke opvattingen die meer volledige observatie, en dus (betere) verklaringen, belemmeren!
o OVERWEGENDE dat generalisatie abstractie vereist van het individuele bedrijf of de individuele praktijk
o DUS…..: Niets zo praktisch als een goede theorie!
o Theorie studeren is dus uitdagend, maar dat is waar deze opleiding op gericht is!
Core concepts: Organizations
Organizations:
1. Social entitites (intercatie tussen mensen).
2. Goal directed
3. Designed as deliberately structured and coordinated activity systems
4. Linked tot distinct external environments
Goal interdependence: The extent into which the achievement of a goal is hindered or facilitated by other goals
❖ Positive Goal interdependence: The achievement of goal 1 facilitates the realization of goal 2
❖ Negative Goal interdependence: The achievement of goal 1 hinders the realization of goal 2
Negatief omzetten naar positief: specifieke afdelingsdoel omzetten naar gezamenlijk doel. Je moet prioriteiten maken hierin.
,Lecture 2
Organizational forms
New organizational forms:
1. Hybrid organizations : Organisatie (competing logics = met 2 logics) Bijv. Social logic: het milieu verbeteren
2. Allianties: Senseo heeft alliantie met Douwe Egberts en Phillips.
3. Networks (Goal directed): (Bijv. wereldproblemen, nieuwe medicijnen).
4. Project based organisation: Projecten die zijn echter tijdelijk zijn. (bijv. productie lines bij het maken van auto’s.)
➔ Main message: Think outside the original box
Theory = A theory consists of a set of interrelated concepts, definitions, and propositions that explain or predict events or
situations by specifying relations among variables.‘
Whetten 1989: A theory: Consists of a set of concepts (what) and the relationships that tie them together (how) into an
explanation of the phenomenon of interest (why)
• Builds on a set of assumptions that form the foundation for a series of logically interrelated claims
• Theorieën kunnen voorspellen of uitleggen
o richt zich meestal op een klein deel van de werkelijkheid
o samenvattingen van vele andere relevante aspecten
o helpt ons details op deze manier te zien
o helpt ons dat beperkte deel van de werkelijkheid beter te begrijpen
o is NIET het hele verhaal en moet in een grotere theoretische context worden gezien
Propositions= how are these concepts related
Parsimony models: We willen de verklarende factoren. Dus geen grote modellen, maar de kleine modellen die veel uitleggen
The elements of a theory
• The What has to be clear
• The How has to be clear
• The Why has to be clear
o What: Het gaat over de capabiliteit of resources
o How: Hoe zijn de resources connected. (= hypothesis)
o Why: Waarom zijn x en y connected
Ook nog where en when
• Where: Waar georgafisch, onder welke omstandigheden is het de theorie valide en betrouwbaar.
• When: Timeframe, alle theorieën komen vanuit de Industrial era. Information revolutie waar we nu in verkeren. Theorizing
is behind the developments
What and how: content of hypothesis
Why: What makes the effect logical? → Een kort "verhaal" dat uitlegt wat het effect van x op y aannemelijk maakt, met
verwijzing naar eerder theoretisch werk of gecombineerde empirische bevindingen.
, Example 1: What and how: decision quality
What and how: Conceptual model
How: The hypotheses
H1: The larger the size of a CEO’s network the higher his/her decision quality
Why: The argument
Individuele CEO's met een relatief groot netwerk hebben betere toegang tot informatie over zakelijke trends en strategieën van
concurrenten en kunnen daardoor beter geïnformeerde beslissingen nemen.
• Size of ceo’s network =(any source of added information)
• De eerste blok is altijd variation (higher or lower)
• Daarnaast moet je kijken naar de direction (positive or negative). Het zegt iets over het effect
• Causality: we kunnen aannemen dat X in de tijd vóór Y gaat. Als het iets anders is, dan kan je iets niet uitleggen.
Example 2: What and how: decision quality
What and how: Conceptual model
How: the hypotheses
H2 The larger the size of a CEO’s network the lower his/her decision quality
Why: The argument
Individuele CEO's hebben een beperkte cognitieve capaciteit, en hoe meer banden een CEO heeft, hoe meer diverse informatie
hij/zij ontvangt, hoe dubbelzinniger de informatie kan worden en hoe meer hij/zij moet verwerken. Dit zorgt voor cognitieve
overbelasting en verslechtert de kwaliteit van beslissingen.
Cognitive overload = Als je teveel informatie krijgt, wordt je ook overspoeld door niet-relevante informatie. =
What and how: CEO network size → decision quality
• Als je beide hypotheses combineert → Krijg je een Inverted U-shape
• De tegengestelde hypothesen 1 en 2 zijn in deze figuur verzoend. H1 en H2
voorspellen verschillende effecten op Y voor verschillende delen van het
continuüm van de X-variabele, die nu zijn geïntegreerd.
Example 3: What: Team member’s creativity
Factors team members’ creative performance (y)
X1: Interaction frequency
X2: Group longevity
X3: Group size
X4: Resource abundance
Nature of relation: Interaction frequency and creativity performance