Historische context 2: De Verlichting
1: De Verlichting (1650-1789)
23: Het streven van vorsten naar absolute macht.
26: De wetenschappelijke revolutie.
27: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
Samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
28: Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse, verlichte wijze vorm te geven.
Wetenschappelijke revolutie = onderzoekers gingen niet meer af op wat de Bijbel, de kerk of
auteurs in de klassieke oudheid vonden, maar kwamen zelf tot een mening d.m.v. zelfstandig
denken, observeren en redeneren. De revolutie hing samen met:
Humanisme = geleerden oriënteerden zich op de literatuur en geschiedenis uit de
oudheid. Bestaande kennis kwam ter discussie te staan.
Debat over vergaren kennis: rationalisme = logisch redeneren (Descartes) en
empirisme = kennis uit zintuiglijke waarnemingen (Locke).
Kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap.
Denkers vonden dat wetenschappelijke methoden moesten worden toegepast op de
samenleving. Verlichting = vanaf 1650: kritische houding tegenover geloof en traditie en
groot vertrouwen in het rationeel doorgronden van de wereld.
Nieuwe ontdekkingen (Newton) Wereld bleek volgens vaste natuurweten te functioneren
en minder afhankelijk van het ingrijpen door een god. Oude ideeën kwamen onder druk te
staan
Geloof is een persoonlijke zaak en het individu moet zelf kunnen beslissen over zijn
godsdienst.
Het systeem waarin de adel meer rechten bezat werd verworpen, omdat alle mensen
(volgens rede) gelijk zijn. Vooruitgangsgedachte = groot vertrouwen in mogelijkheden van de
mens om de wereld rationeel te doorgronden en te verbeteren. Kinderen moesten vanaf
jonge leeftijd worden opgeleid tot kritische burgers.
Onderwijs kennis + weerstand aan misvattingen en bijgeloof.
Locke en Rousseau gingen uit van het natuurrecht (rechten die ieder van nature heeft) en
veronderstelden dat de macht bij het volk lag: sociaal contract = denkbeeldige overeenkomst
tussen burgers en vorst over de wijze van bestuur.
Locke: Burgers houden zich aan wetten die regering geheel zelfstandig maakt en krijgen in
ruil bescherming en belofte om geen machtsmisbruik te maken van vorst.
Rousseau: Regering is geen zelfstandige instelling en algemene wil komt tot uiting in een
directe democratie (alle burgers hebben recht om mee te beslissen over het beleid) (= in
voordeel van de zwakkeren).
Montesqieu: Scheiding der machten om machtsmisbruik te voorkomen: totale macht ligt
nooit meer bij 1 persoon of een groep.
Adam Smith: tegen overmatige staatsinvloed (economie). Iedereen moet vrij zijn en
rationele, economische eigenbelang nastreven. Meer geluk en welvaart.
18e eeuw: Publieke debat Publieke opinie (mening groot deel volk).
Spanningen met autoriteiten, verlichting viel namelijk samen met absolutisme en
centralisatie, die gerechtvaardigd werd door droit divin = God had vorsten aangewezen om
met absolute macht te regeren. Soms: verlicht absolutisme = absoluut vorst dient het
algemeen belang vanuit verlichte idealen.
1: De Verlichting (1650-1789)
23: Het streven van vorsten naar absolute macht.
26: De wetenschappelijke revolutie.
27: Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de
Samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
28: Voortbestaan van het ancien régime met pogingen om het vorstelijk bestuur op
eigentijdse, verlichte wijze vorm te geven.
Wetenschappelijke revolutie = onderzoekers gingen niet meer af op wat de Bijbel, de kerk of
auteurs in de klassieke oudheid vonden, maar kwamen zelf tot een mening d.m.v. zelfstandig
denken, observeren en redeneren. De revolutie hing samen met:
Humanisme = geleerden oriënteerden zich op de literatuur en geschiedenis uit de
oudheid. Bestaande kennis kwam ter discussie te staan.
Debat over vergaren kennis: rationalisme = logisch redeneren (Descartes) en
empirisme = kennis uit zintuiglijke waarnemingen (Locke).
Kruisbestuiving tussen ambacht en wetenschap.
Denkers vonden dat wetenschappelijke methoden moesten worden toegepast op de
samenleving. Verlichting = vanaf 1650: kritische houding tegenover geloof en traditie en
groot vertrouwen in het rationeel doorgronden van de wereld.
Nieuwe ontdekkingen (Newton) Wereld bleek volgens vaste natuurweten te functioneren
en minder afhankelijk van het ingrijpen door een god. Oude ideeën kwamen onder druk te
staan
Geloof is een persoonlijke zaak en het individu moet zelf kunnen beslissen over zijn
godsdienst.
Het systeem waarin de adel meer rechten bezat werd verworpen, omdat alle mensen
(volgens rede) gelijk zijn. Vooruitgangsgedachte = groot vertrouwen in mogelijkheden van de
mens om de wereld rationeel te doorgronden en te verbeteren. Kinderen moesten vanaf
jonge leeftijd worden opgeleid tot kritische burgers.
Onderwijs kennis + weerstand aan misvattingen en bijgeloof.
Locke en Rousseau gingen uit van het natuurrecht (rechten die ieder van nature heeft) en
veronderstelden dat de macht bij het volk lag: sociaal contract = denkbeeldige overeenkomst
tussen burgers en vorst over de wijze van bestuur.
Locke: Burgers houden zich aan wetten die regering geheel zelfstandig maakt en krijgen in
ruil bescherming en belofte om geen machtsmisbruik te maken van vorst.
Rousseau: Regering is geen zelfstandige instelling en algemene wil komt tot uiting in een
directe democratie (alle burgers hebben recht om mee te beslissen over het beleid) (= in
voordeel van de zwakkeren).
Montesqieu: Scheiding der machten om machtsmisbruik te voorkomen: totale macht ligt
nooit meer bij 1 persoon of een groep.
Adam Smith: tegen overmatige staatsinvloed (economie). Iedereen moet vrij zijn en
rationele, economische eigenbelang nastreven. Meer geluk en welvaart.
18e eeuw: Publieke debat Publieke opinie (mening groot deel volk).
Spanningen met autoriteiten, verlichting viel namelijk samen met absolutisme en
centralisatie, die gerechtvaardigd werd door droit divin = God had vorsten aangewezen om
met absolute macht te regeren. Soms: verlicht absolutisme = absoluut vorst dient het
algemeen belang vanuit verlichte idealen.