Thema 11: fixatie
= maatregel ter preventie van lichamelijke letsels
Mag geen routinebehandeling zijn
Een kritische kijk op fixatie is belangrijk
Soorten fixatie:
- Fysieke fixatie
Elk middel, materiaal of uitrusting vastgemaakt aan of dichtbij het lichaam
van een persoon;
Niet controleerbaar of gemakkelijk te verwijderen;
Opzettelijk bedoeld om te voorkomen dat de persoon zijn lichaam naar een
gekozen positie beweegt of dat de persoon normale toegang heeft tot zijn
lichaam.
Voorbeelden: lendengordel, pols- en enkelbandjes, fixatievesten, verpleegdekens, kledij met
rits achteraan, voorzettafels, bedsponden, speciale handschoenen, zwachtel in hand of
bolsteren
- Chemische fixatie
Een psychoactief geneesmiddel wordt gebruikt, niet als behandeling, maar
als middel om een bepaald gedrag te beletten.
Benzodiazepines (slaap – en kalmeermedicatie), antipsychotica
(neuroleptica) (bv. Haldol, Dipiperon, DHBP, Zyprexa, Risperdal, Leponex,
Seroquel) en sederende antidepressiva (bv. Trazolan)
Nevenwerkingen psychofarma: oversedatie, vallen en delier
Antipsychotica: orthostatische hypotensie, pseudo-parkinson, maligne
neurolepticasyndroom, tardieve dyskinesieën, pneonomue, metabool
syndroom, hogere mortaliteit
Begripsomschrijving:
“vrijheidsberperkende maatregelen’=
Elk middel dat hetzij direct, hetzij indirect bij een individu wordt toegepast met als doel
diens bewegingsvrijheid te beperken:
- Fysieke fixatie
- Chemische fixatie
- Isolatie
- Andere vormen: deuren sleuten, gesloten afdeling
Niet elk fixatiemiddel wordt als fixatie beschouwd:
- Voorzettafel
- Bedsponden
Fixatie = bellemert een persoon die zich vrij wil bewegen of wil verplaatsen
Isolatie in de zorg
, = noodmaatregel die enkel in uitzonderlijke situaties gebruikt wordt op de afdelingen
spoedgevallen en op de psychiatrie (PAAZ), en die een adequate behandeling onder continu
toezicht moet mogelijk maken.
= een besmette ZO of een ZO met een lage immuniteit geïsoleerd wordt.
Redenen om te fixeren:
Om te beschermen: in belang van ZO
- Vallen voorkomen
- Onderuitzakken of glijden voorkomen
- Wegloopgedrag aan banden leggen
- Therapie mogelijk maken
Om anderen te beschermen:
- Agressie
Om storend gedrag te onderdrukken:
- Onrust
- Dwaalgedrag
Kenmerken ZO die gefixeerd wordt:
- Cognitieve stoornissen: delier en dementie
- Stoornissen in ADL-functioneren
- Vallen in de voorgeschiedenis
- Gedragsproblemen
- Behandeling met neuroleptica
- 65+
Kenmerken ZV:
- Gebrek aan kennis
- Beperkt vermogen om met probleemgedrag om te gaan
- Te weinig personeel
- Medisch zorgmodel
- Negatieve kijk op ouderen
- Vrees voor gerechtelijke gevolgen
Gevolgen van fixatie:
- Gevoelens van de familie:
Ontkenning, kwaadheid, controle van situatie, veiligheid primiteert op vrijheid,
asociatie met eindigheid
- Gevoelens bij de ZV:
Gevoelens van machteloosheid, schuldgevoelens, innerlijke conflcten,
controlefunctie
= maatregel ter preventie van lichamelijke letsels
Mag geen routinebehandeling zijn
Een kritische kijk op fixatie is belangrijk
Soorten fixatie:
- Fysieke fixatie
Elk middel, materiaal of uitrusting vastgemaakt aan of dichtbij het lichaam
van een persoon;
Niet controleerbaar of gemakkelijk te verwijderen;
Opzettelijk bedoeld om te voorkomen dat de persoon zijn lichaam naar een
gekozen positie beweegt of dat de persoon normale toegang heeft tot zijn
lichaam.
Voorbeelden: lendengordel, pols- en enkelbandjes, fixatievesten, verpleegdekens, kledij met
rits achteraan, voorzettafels, bedsponden, speciale handschoenen, zwachtel in hand of
bolsteren
- Chemische fixatie
Een psychoactief geneesmiddel wordt gebruikt, niet als behandeling, maar
als middel om een bepaald gedrag te beletten.
Benzodiazepines (slaap – en kalmeermedicatie), antipsychotica
(neuroleptica) (bv. Haldol, Dipiperon, DHBP, Zyprexa, Risperdal, Leponex,
Seroquel) en sederende antidepressiva (bv. Trazolan)
Nevenwerkingen psychofarma: oversedatie, vallen en delier
Antipsychotica: orthostatische hypotensie, pseudo-parkinson, maligne
neurolepticasyndroom, tardieve dyskinesieën, pneonomue, metabool
syndroom, hogere mortaliteit
Begripsomschrijving:
“vrijheidsberperkende maatregelen’=
Elk middel dat hetzij direct, hetzij indirect bij een individu wordt toegepast met als doel
diens bewegingsvrijheid te beperken:
- Fysieke fixatie
- Chemische fixatie
- Isolatie
- Andere vormen: deuren sleuten, gesloten afdeling
Niet elk fixatiemiddel wordt als fixatie beschouwd:
- Voorzettafel
- Bedsponden
Fixatie = bellemert een persoon die zich vrij wil bewegen of wil verplaatsen
Isolatie in de zorg
, = noodmaatregel die enkel in uitzonderlijke situaties gebruikt wordt op de afdelingen
spoedgevallen en op de psychiatrie (PAAZ), en die een adequate behandeling onder continu
toezicht moet mogelijk maken.
= een besmette ZO of een ZO met een lage immuniteit geïsoleerd wordt.
Redenen om te fixeren:
Om te beschermen: in belang van ZO
- Vallen voorkomen
- Onderuitzakken of glijden voorkomen
- Wegloopgedrag aan banden leggen
- Therapie mogelijk maken
Om anderen te beschermen:
- Agressie
Om storend gedrag te onderdrukken:
- Onrust
- Dwaalgedrag
Kenmerken ZO die gefixeerd wordt:
- Cognitieve stoornissen: delier en dementie
- Stoornissen in ADL-functioneren
- Vallen in de voorgeschiedenis
- Gedragsproblemen
- Behandeling met neuroleptica
- 65+
Kenmerken ZV:
- Gebrek aan kennis
- Beperkt vermogen om met probleemgedrag om te gaan
- Te weinig personeel
- Medisch zorgmodel
- Negatieve kijk op ouderen
- Vrees voor gerechtelijke gevolgen
Gevolgen van fixatie:
- Gevoelens van de familie:
Ontkenning, kwaadheid, controle van situatie, veiligheid primiteert op vrijheid,
asociatie met eindigheid
- Gevoelens bij de ZV:
Gevoelens van machteloosheid, schuldgevoelens, innerlijke conflcten,
controlefunctie