Macro economie
1 Macro-economische grootheden
1.1 Economische kringloop
Vijf economische actoren
- Gezinnen (alle personen in hun rol als werknemer en consument)
- Bedrijven (staan in voor productie van goederen en diensten)
- Overheid (ruime zin: provincies, gemeenten, onderwijs, …)
- Financiële instellingen (ontvangen besparingen en lenen geld uit aan andere
sectoren)
- Buitenland (alle buitenlandse bedrijven waarmee een land handel drijft)
Deze actoren
- Door verschillende transacties en relaties met elkaar verbonden
- Financieel karakter of reëel van aard
1.2 Kringloopschema
Gezinnen
Reële kringloop
Financiële stroom
Overheid
Bedrijven
Buitenland
1 gezinnen leveren factordiensten aan bedrijven en overheid
1’ ontvangen in ruil hiervoor een factorvergoeding van bedrijven en overheid
2 bedrijven produceren consumptie- en investeringsgoederen
2’ consumptie- en investeringsgoederen voor gezinnen, bedrijven en overheid
3 export en import van goederen en diensten naar/uit buitenland
3’ exportopbrengsten en importuitgaven
4 overheid biedt goederen en diensten aan voor gezinnen en bedrijven
1
, 5 gezinnen betalen belastingen
6 bedrijven betalen belastingen
7 overheid geeft transfers en subsidies aan gezinnen
8 overheid geeft subsidies aan bedrijven
België meer export dan import
Kringloop: verschillen
- Met buiteland open economie
- Zonder buitenland gesloten economie
Netto-uitvoer
- Internationale handel
- Saldo van uitvoer-invoer
- (X > M) netto uitvoer positief
- (X < M) netto uitvoer negatief
1.3 Bruto binnenlands product
Betekenis
- Maatstaf voor economische activiteit
- Productie van het land meten
- BBPm: bruto binnenlands product tegen marktprijs
o Marktwaarde van alle finale goederen en diensten (≠ afgewerkte
producten)
o Gedurende één jaar
o Binnen landsgrenzen
o Geproduceerd en door de overheid geregistreerd
1.4 Berekeningsmethodes BBPm
Drie verschillende methodes
- Productiemethode = 2+3
- Bestedingsmethode = 2’+3’
- Inkomensbenadering = 1’
Productiemethode
- Oorsprong van bbp
- Som van (bruto) toegevoegde waarde
- BBPm = ∑ btw
- Btw
o Verschil tussen verkoopwaarde van productie en bedragen betaald aan
andere producenten voor levering van grondstoffen en diensten nodig voor
productie
o OF
o Gelijk aan waardetoename die onderneming of overheid zelf met eigen
werknemers en uitrusting aan de gekochte goederen heeft toegevoegd
2
1 Macro-economische grootheden
1.1 Economische kringloop
Vijf economische actoren
- Gezinnen (alle personen in hun rol als werknemer en consument)
- Bedrijven (staan in voor productie van goederen en diensten)
- Overheid (ruime zin: provincies, gemeenten, onderwijs, …)
- Financiële instellingen (ontvangen besparingen en lenen geld uit aan andere
sectoren)
- Buitenland (alle buitenlandse bedrijven waarmee een land handel drijft)
Deze actoren
- Door verschillende transacties en relaties met elkaar verbonden
- Financieel karakter of reëel van aard
1.2 Kringloopschema
Gezinnen
Reële kringloop
Financiële stroom
Overheid
Bedrijven
Buitenland
1 gezinnen leveren factordiensten aan bedrijven en overheid
1’ ontvangen in ruil hiervoor een factorvergoeding van bedrijven en overheid
2 bedrijven produceren consumptie- en investeringsgoederen
2’ consumptie- en investeringsgoederen voor gezinnen, bedrijven en overheid
3 export en import van goederen en diensten naar/uit buitenland
3’ exportopbrengsten en importuitgaven
4 overheid biedt goederen en diensten aan voor gezinnen en bedrijven
1
, 5 gezinnen betalen belastingen
6 bedrijven betalen belastingen
7 overheid geeft transfers en subsidies aan gezinnen
8 overheid geeft subsidies aan bedrijven
België meer export dan import
Kringloop: verschillen
- Met buiteland open economie
- Zonder buitenland gesloten economie
Netto-uitvoer
- Internationale handel
- Saldo van uitvoer-invoer
- (X > M) netto uitvoer positief
- (X < M) netto uitvoer negatief
1.3 Bruto binnenlands product
Betekenis
- Maatstaf voor economische activiteit
- Productie van het land meten
- BBPm: bruto binnenlands product tegen marktprijs
o Marktwaarde van alle finale goederen en diensten (≠ afgewerkte
producten)
o Gedurende één jaar
o Binnen landsgrenzen
o Geproduceerd en door de overheid geregistreerd
1.4 Berekeningsmethodes BBPm
Drie verschillende methodes
- Productiemethode = 2+3
- Bestedingsmethode = 2’+3’
- Inkomensbenadering = 1’
Productiemethode
- Oorsprong van bbp
- Som van (bruto) toegevoegde waarde
- BBPm = ∑ btw
- Btw
o Verschil tussen verkoopwaarde van productie en bedragen betaald aan
andere producenten voor levering van grondstoffen en diensten nodig voor
productie
o OF
o Gelijk aan waardetoename die onderneming of overheid zelf met eigen
werknemers en uitrusting aan de gekochte goederen heeft toegevoegd
2