Namenlijst Sociologie
Max Weber - Grondlegger sociologie
- Individugericht; ontstaan van orde door persoonlijke motieven die
actoren aanzetten tot samenhandelen.
- Opvolgers: Rational choice
- Doelrationeel handelen = doordachte en planmatige omgang met
middelen en hun gekende neveneffecten met het oog op het
bereiken van een doel.
- Doelrationalisatie = handelen binnen maatschappelijke
deeldomeinen wordt alsmaar doelrationeler.
- Begrijpende sociologie
- Methodologisch individualisme & nominalisme & actorcentrisme
- ! geen sociocentrisme & reïficerende denktrant
- Werkt met ideaaltypen
- Statistiek
- Interpretatieve, hermeneutische visie
- Legaal, traditioneel, charismatisch gezag
- Interpretatief cultuurbegrip
- Symbolisch interactionisme
- Roltheorie: role making vs role taking.
Emile Durkheim - Grondlegger sociologie
- Invloed Comte
- Groepsgericht, nadruk op sociale rol van breed gedeelde
opvattingen ( = cultuur) sociaal bewustzijn orde
- Sociale feiten
- Ontstaan systeemtheorie
- Ontstaan functionalisme.
- Reïficerende denktrant & deterministisch
- Gebruikt statistiek voor verklaring sociale feiten
- Sociologisme
- Sociocentrisme
- Mechanische en organische solidariteit
- Mentalistisch cultuurbegrip
- Roltheorie
Karl Marx - Grondlegger sociologie
- Groepsgericht; conflictsociologische benadering, focus gespannen
relaties tussen sociale groepen met verschil in macht en belangen.
- Kapitalistische samenleving: klassenstrijd onvermijdelijk.
- Legde basis communisme
- Modern kapitalisme: G-W-G
- Commodificatie
- Economisch reductionisme; materialistische maatschappijvisie.
- Denkt zeer zwart-wit; reductionistisch
Robert K. Merton - Functie = pos gevolg van een sociaal fenomeen voor een ander
sociaal fenomeen of verband.
- Latente (dis)functies vs manifeste (dis)functies.
- Anomie = geïnstitutionaliseerde normen die mogelijke middelen
voor het bereiken van een doel reguleren, inboeten aan impact in –
Max Weber - Grondlegger sociologie
- Individugericht; ontstaan van orde door persoonlijke motieven die
actoren aanzetten tot samenhandelen.
- Opvolgers: Rational choice
- Doelrationeel handelen = doordachte en planmatige omgang met
middelen en hun gekende neveneffecten met het oog op het
bereiken van een doel.
- Doelrationalisatie = handelen binnen maatschappelijke
deeldomeinen wordt alsmaar doelrationeler.
- Begrijpende sociologie
- Methodologisch individualisme & nominalisme & actorcentrisme
- ! geen sociocentrisme & reïficerende denktrant
- Werkt met ideaaltypen
- Statistiek
- Interpretatieve, hermeneutische visie
- Legaal, traditioneel, charismatisch gezag
- Interpretatief cultuurbegrip
- Symbolisch interactionisme
- Roltheorie: role making vs role taking.
Emile Durkheim - Grondlegger sociologie
- Invloed Comte
- Groepsgericht, nadruk op sociale rol van breed gedeelde
opvattingen ( = cultuur) sociaal bewustzijn orde
- Sociale feiten
- Ontstaan systeemtheorie
- Ontstaan functionalisme.
- Reïficerende denktrant & deterministisch
- Gebruikt statistiek voor verklaring sociale feiten
- Sociologisme
- Sociocentrisme
- Mechanische en organische solidariteit
- Mentalistisch cultuurbegrip
- Roltheorie
Karl Marx - Grondlegger sociologie
- Groepsgericht; conflictsociologische benadering, focus gespannen
relaties tussen sociale groepen met verschil in macht en belangen.
- Kapitalistische samenleving: klassenstrijd onvermijdelijk.
- Legde basis communisme
- Modern kapitalisme: G-W-G
- Commodificatie
- Economisch reductionisme; materialistische maatschappijvisie.
- Denkt zeer zwart-wit; reductionistisch
Robert K. Merton - Functie = pos gevolg van een sociaal fenomeen voor een ander
sociaal fenomeen of verband.
- Latente (dis)functies vs manifeste (dis)functies.
- Anomie = geïnstitutionaliseerde normen die mogelijke middelen
voor het bereiken van een doel reguleren, inboeten aan impact in –