KINDERGNK
NORMAL DEVELOPMENT
Normale ontwikkeling = bereiken van fysieke, cognitieve, linguïstische en sociaal-emotionele mijlpalen rond specifieke
tijden
WAT DRIJFT ONTWIKKELING?
- Genen
- Omgeving = LEVENSERVARINGEN (familie, school, leeftijdsgenoten, cultuur) + BIOLOGISCHE omgeving
tweeling en adoptie studies
GENEN/NATURE
- Chromosomaal
- Monogenetisch
- Polygenetisch
o Additief
o Multiplicatief
o Epistatisch (gen-gen interactie)
Erfelijkheid = mate waarin de variantie voor een bepaald kenmerk in de bevolking bepaald is door genetische verschillen
Erfelijkheid ~ 2 x (rMZ – rDZ)
Voorbeelden:
- Educatie 62% erfelijk bepaald
- Autisme, ADHD, schizofrenie, bipolariteit 70-90% erfelijk bepaald
- Anxiety 30-40% erfelijk bepaald
OMGEVING/NURTURE
BIO-FYSISCH
• Pre- / perinataal
– Baarmoederlijk milieu
– Geboortecomplicaties
• Toxiciteit
– Voeding
– Pollutie
– Infecties
• Hersentrauma
GEZIN
- koestering, sensitief ouderschap
- waarden, regels, toezicht
- stimulatie, motivatie, hulp
ONDERWIJS
VRIENDEN, BUURT, HOBBY’s CULTUUR, WELVAART, ZORG
Voorbeeld: wolvenkinderen
Menselijke context / omgeving is onmisbaar voor normale ontwikkeling
Gedeelde omgeving vs niet-gedeelde omgeving veel meer impact!!
Big 5: maar voor een mini stuk bepaald door de gedeelde omgeving! (vnl genen en non-shared environment)
1. Open vs teruggetrokken
2. Consciëntieus
3. Extravert vs intravert
4. Agreeableness
1
, 5. Neurotisch (angstig)
GENETICA EN OMGEVING
- Online gedrag: vnl genetisch bepaald
- Voeding: vegetarisch worden 50% genetisch bepaald
GEN-OMGEVING CORRELATIE DUBBELE DOSERING!!! rGE
- PASSIEF: dezelfde genen die het kind een slecht temperament geven, verklaren slecht ouderschap; “zo zoon, zo
vader”
- kind ontvangt een genetische voorbeschiktheid (talent of kwetsbaarheid) en komt in een omgeving die
door diezelfde genetische voorbeschiktheid vorm gegeven wordt
- = dubbele dosis
- EVOCATIVE: het slechte temperament van het kind roept slecht ouderschap op
o kind ontvangt een genetische voorbeschiktheid (talent of kwetsbaarheid) en lokt daarmee in de
omgeving versterkende reacties uit
o = dubbele dosis
- ACTIEF: “niche-picking”: kind met een slecht temperament zoekt een asociale omgeving op
o kind ontvangt een genetische voorbeschiktheid (talent of kwetsbaarheid) en gaat zelf actief op zoek
naar een passende omgeving (die versterkende werkt)
o = dubbele dosis
“HERITABILITY CAN INCREASE OVER TIME” door effecten die genen op omgeving teweeg brengen!
- Gebrek aan socialisatie (regelvolgend gedrag) op 11j
rechtstreeks: middelenmisbruik
onrechtstreeks: uitlokken van contextueel risico (antisociale vrienden, negatieve relaties met volwassenen).
- “Wilson effect” (1983): Erfelijkheid van IQ neemt toe met de leeftijd
omgeving gekozen ifv capaciteiten die je hebt
GEN-OMGEVING INTERACTIES GxE
• soms zijn omgevingsfactoren slechts of veel meer risicovol voor bepaalde “genotypes”
• Bv. Geslacht fysieke mishandeling minder genetische kwetsbaarheid (bv depressie) bij jongens
• soms komen bepaalde genetische kwetsbaarheden slechts tot uiting of veel meer tot uiting in een bepaalde
omgeving
• Bv. genetische kwetsbaarheid voor depressie enkel bij stress
• = in essentie dezelfde “interactie”
“Differential susceptability”
• Hetzelfde genotype kan een risicofactor zijn in negatieve omstandigheden en in positieve omstandigheden een
voordeel opleveren
• Homozygoot voor kort allel:
• Opvoeding in bijzondere jeugdzorg meer agressie
• Opvoeding in pleegzorg minder agressie
Genetische verschillen maken ons verschillend kwetsbaar voor omgevingsinvloeden
- Vb: verschillende kwetsbaarheid voor depressie na child abuse, afh van sertotonine-genetische polymorfismen
- 5-HTT homozygoot kort allel: verhoogde geboeligheid voor stress sneller depressie
Gen-omgevingsinteracties starten potentieel al vóór de geboorte
• kunnen zowel via GxE van moeder als van baby werken
BELANG rGE / GxE
• Vermeende omgevingseffecten zijn onderliggend (causaal) vaak gedreven door genetica (rGE)
• Genetische effecten zijn vaak afhankelijk van omgevingsrisico (en kunnen daardoor voorkomen worden)
EPIGENETICA
- Omgeving verandert genexpressie door genen aan of uit te zetten
- Veranderingen in de omgeving van het DNA beïnvloeden de transcriptie ervan
2
, - Mechanismen: DNA methylatie en histon modificaties
o Transiënt, permament of transgenerationeel effect
SAMENVATTING
1. Alle psychologische eigenschappen vertonen een substantiële genetische invloed
2. Geen enkele eigenschap is 100% erfelijk
3. Erfelijkheid wordt veroorzaakt door veel genen met kleine effecten
4. Fenotypische correlaties laten een aanzienlijke genetische bemiddeling zien
5. De erfelijkheidsgraad van eigenschappen kan toenemen met de ontwikkeling (bijv. IQ)
6. Leeftijd-tot-leeftijd stabiliteit is voornamelijk te wijten aan genetica
7. De meeste metingen van "omgeving" tonen genetische invloed (omdat mensen hun omgeving selecteren en
creëren)
8. Aangenomen omgevingsinvloeden zijn vaak genetisch (associaties tussen omgeving en fenotype zijn vaak te
wijten aan genetische invloeden)
9. De meeste milieueffecten worden NIET gedeeld door kinderen die in hetzelfde gezin wonen
10. Abnormaal is normaal (het zijn de uitersten van dezelfde genetische invloeden die de rest van de distributie
beïnvloeden)
ONTWIKKELINGS PSYCHOPATHOLOGIE
- Psychopathologie is niet het resultaat van een specifiek "ander", afwijkend pad, maar de studie van waarom en
hoe typische ontwikkelingspaden tot pathologische ontwikkeling leiden
- Ontwikkeling komt voort uit samenspel tussen vele invloeden in de tijd = transactioneel
- Ontwikkelingsverandering kan door veel invloeden worden veroorzaakt
Hersenontwikkeling: neurogenese – migratie – synaptogenese – synaps pruning (snoeien) – myelinisatie
- Bij de geboorte: een vast aantal neuronen
- Globale stimulatie stimuleert dendritische proliferatie
- 2-3j: elk neuron heeft +/- 15000 synapsen; op volwassen leeftijd ongeveer 8000
- meest geactiveerde connecties overleven
3
NORMAL DEVELOPMENT
Normale ontwikkeling = bereiken van fysieke, cognitieve, linguïstische en sociaal-emotionele mijlpalen rond specifieke
tijden
WAT DRIJFT ONTWIKKELING?
- Genen
- Omgeving = LEVENSERVARINGEN (familie, school, leeftijdsgenoten, cultuur) + BIOLOGISCHE omgeving
tweeling en adoptie studies
GENEN/NATURE
- Chromosomaal
- Monogenetisch
- Polygenetisch
o Additief
o Multiplicatief
o Epistatisch (gen-gen interactie)
Erfelijkheid = mate waarin de variantie voor een bepaald kenmerk in de bevolking bepaald is door genetische verschillen
Erfelijkheid ~ 2 x (rMZ – rDZ)
Voorbeelden:
- Educatie 62% erfelijk bepaald
- Autisme, ADHD, schizofrenie, bipolariteit 70-90% erfelijk bepaald
- Anxiety 30-40% erfelijk bepaald
OMGEVING/NURTURE
BIO-FYSISCH
• Pre- / perinataal
– Baarmoederlijk milieu
– Geboortecomplicaties
• Toxiciteit
– Voeding
– Pollutie
– Infecties
• Hersentrauma
GEZIN
- koestering, sensitief ouderschap
- waarden, regels, toezicht
- stimulatie, motivatie, hulp
ONDERWIJS
VRIENDEN, BUURT, HOBBY’s CULTUUR, WELVAART, ZORG
Voorbeeld: wolvenkinderen
Menselijke context / omgeving is onmisbaar voor normale ontwikkeling
Gedeelde omgeving vs niet-gedeelde omgeving veel meer impact!!
Big 5: maar voor een mini stuk bepaald door de gedeelde omgeving! (vnl genen en non-shared environment)
1. Open vs teruggetrokken
2. Consciëntieus
3. Extravert vs intravert
4. Agreeableness
1
, 5. Neurotisch (angstig)
GENETICA EN OMGEVING
- Online gedrag: vnl genetisch bepaald
- Voeding: vegetarisch worden 50% genetisch bepaald
GEN-OMGEVING CORRELATIE DUBBELE DOSERING!!! rGE
- PASSIEF: dezelfde genen die het kind een slecht temperament geven, verklaren slecht ouderschap; “zo zoon, zo
vader”
- kind ontvangt een genetische voorbeschiktheid (talent of kwetsbaarheid) en komt in een omgeving die
door diezelfde genetische voorbeschiktheid vorm gegeven wordt
- = dubbele dosis
- EVOCATIVE: het slechte temperament van het kind roept slecht ouderschap op
o kind ontvangt een genetische voorbeschiktheid (talent of kwetsbaarheid) en lokt daarmee in de
omgeving versterkende reacties uit
o = dubbele dosis
- ACTIEF: “niche-picking”: kind met een slecht temperament zoekt een asociale omgeving op
o kind ontvangt een genetische voorbeschiktheid (talent of kwetsbaarheid) en gaat zelf actief op zoek
naar een passende omgeving (die versterkende werkt)
o = dubbele dosis
“HERITABILITY CAN INCREASE OVER TIME” door effecten die genen op omgeving teweeg brengen!
- Gebrek aan socialisatie (regelvolgend gedrag) op 11j
rechtstreeks: middelenmisbruik
onrechtstreeks: uitlokken van contextueel risico (antisociale vrienden, negatieve relaties met volwassenen).
- “Wilson effect” (1983): Erfelijkheid van IQ neemt toe met de leeftijd
omgeving gekozen ifv capaciteiten die je hebt
GEN-OMGEVING INTERACTIES GxE
• soms zijn omgevingsfactoren slechts of veel meer risicovol voor bepaalde “genotypes”
• Bv. Geslacht fysieke mishandeling minder genetische kwetsbaarheid (bv depressie) bij jongens
• soms komen bepaalde genetische kwetsbaarheden slechts tot uiting of veel meer tot uiting in een bepaalde
omgeving
• Bv. genetische kwetsbaarheid voor depressie enkel bij stress
• = in essentie dezelfde “interactie”
“Differential susceptability”
• Hetzelfde genotype kan een risicofactor zijn in negatieve omstandigheden en in positieve omstandigheden een
voordeel opleveren
• Homozygoot voor kort allel:
• Opvoeding in bijzondere jeugdzorg meer agressie
• Opvoeding in pleegzorg minder agressie
Genetische verschillen maken ons verschillend kwetsbaar voor omgevingsinvloeden
- Vb: verschillende kwetsbaarheid voor depressie na child abuse, afh van sertotonine-genetische polymorfismen
- 5-HTT homozygoot kort allel: verhoogde geboeligheid voor stress sneller depressie
Gen-omgevingsinteracties starten potentieel al vóór de geboorte
• kunnen zowel via GxE van moeder als van baby werken
BELANG rGE / GxE
• Vermeende omgevingseffecten zijn onderliggend (causaal) vaak gedreven door genetica (rGE)
• Genetische effecten zijn vaak afhankelijk van omgevingsrisico (en kunnen daardoor voorkomen worden)
EPIGENETICA
- Omgeving verandert genexpressie door genen aan of uit te zetten
- Veranderingen in de omgeving van het DNA beïnvloeden de transcriptie ervan
2
, - Mechanismen: DNA methylatie en histon modificaties
o Transiënt, permament of transgenerationeel effect
SAMENVATTING
1. Alle psychologische eigenschappen vertonen een substantiële genetische invloed
2. Geen enkele eigenschap is 100% erfelijk
3. Erfelijkheid wordt veroorzaakt door veel genen met kleine effecten
4. Fenotypische correlaties laten een aanzienlijke genetische bemiddeling zien
5. De erfelijkheidsgraad van eigenschappen kan toenemen met de ontwikkeling (bijv. IQ)
6. Leeftijd-tot-leeftijd stabiliteit is voornamelijk te wijten aan genetica
7. De meeste metingen van "omgeving" tonen genetische invloed (omdat mensen hun omgeving selecteren en
creëren)
8. Aangenomen omgevingsinvloeden zijn vaak genetisch (associaties tussen omgeving en fenotype zijn vaak te
wijten aan genetische invloeden)
9. De meeste milieueffecten worden NIET gedeeld door kinderen die in hetzelfde gezin wonen
10. Abnormaal is normaal (het zijn de uitersten van dezelfde genetische invloeden die de rest van de distributie
beïnvloeden)
ONTWIKKELINGS PSYCHOPATHOLOGIE
- Psychopathologie is niet het resultaat van een specifiek "ander", afwijkend pad, maar de studie van waarom en
hoe typische ontwikkelingspaden tot pathologische ontwikkeling leiden
- Ontwikkeling komt voort uit samenspel tussen vele invloeden in de tijd = transactioneel
- Ontwikkelingsverandering kan door veel invloeden worden veroorzaakt
Hersenontwikkeling: neurogenese – migratie – synaptogenese – synaps pruning (snoeien) – myelinisatie
- Bij de geboorte: een vast aantal neuronen
- Globale stimulatie stimuleert dendritische proliferatie
- 2-3j: elk neuron heeft +/- 15000 synapsen; op volwassen leeftijd ongeveer 8000
- meest geactiveerde connecties overleven
3