Thema 9 Structuurveranderingen van stoffen
1. Structuurverandering
In de titel van dit thema vind je het woord ‘structuurveranderingen’ terug. Los volgende vraag op
zonder te spieken in je handboek. Controleer daarna in je handboek op pg 152 of dit klopt.
Wat wordt bedoeld met de ‘structuur van een stof’? Met de structuur van een stof bedoelen we het
voorkomen, de vorm, de opbouw van een stof.
Oefening: Kruis de voorbeelden aan waarbij de onderstreepte stof van structuur verandert.
o Het begint eindelijk te dooien. De bevroren ijsvijver wordt opnieuw water.
o Een man wil indruk maken op een vrouw, gooit daarom een ijsblokje op de grond en zegt:
‘Oké, nu het ijs tussen ons gebroken is, wat is jouw naam?’
o Een blok hout brandt op tot as.
o Jan en Fran gooien een plastieken bal naar elkaar.
Twee soorten
In de natuur kunnen stoffen op twee manieren van structuur veranderen. Lees de tekst in je
handboek op pg 152 en vul de onderstaande tekst aan.
1) Structuurverandering van stoffen waarbij de moleculen niet van samenstelling
veranderen.
Geef een voorbeeld: water dat bevriest, kaarsvet dat stolt, …
2) Structuurverandering van stoffen waarbij de moleculen wel van samenstelling
veranderen.
Geef een voorbeeld: hout dat verbrandt, voedsel dat je kookt, …
Geef een synoniem voor zo een structuurverandering: stofomzetting
Bij voedsel kan je weten dat je met zo een structuurverandering te maken hebt als de smaak,
geur of kleur verandert.
2. Moleculen veranderen niet van samenstelling
Herhaling
De opdrachten voor deze tabel staat op volgende pagina.
Vaste stof Vloeistof Gas
Deeltjesmodel
Beweging trillen rollen vliegen
Groot / Niet zo groot / Groot / Niet zo groot / Groot / Niet zo groot /
Cohesie
Heel klein Heel klein Heel klein
Vorm Wel / geen eigen vorm Wel / geen eigen vorm Wel / geen eigen vorm
Volume Wel/geen eigen volume Wel/geen eigen volume Wel/geen eigen volume
1. Structuurverandering
In de titel van dit thema vind je het woord ‘structuurveranderingen’ terug. Los volgende vraag op
zonder te spieken in je handboek. Controleer daarna in je handboek op pg 152 of dit klopt.
Wat wordt bedoeld met de ‘structuur van een stof’? Met de structuur van een stof bedoelen we het
voorkomen, de vorm, de opbouw van een stof.
Oefening: Kruis de voorbeelden aan waarbij de onderstreepte stof van structuur verandert.
o Het begint eindelijk te dooien. De bevroren ijsvijver wordt opnieuw water.
o Een man wil indruk maken op een vrouw, gooit daarom een ijsblokje op de grond en zegt:
‘Oké, nu het ijs tussen ons gebroken is, wat is jouw naam?’
o Een blok hout brandt op tot as.
o Jan en Fran gooien een plastieken bal naar elkaar.
Twee soorten
In de natuur kunnen stoffen op twee manieren van structuur veranderen. Lees de tekst in je
handboek op pg 152 en vul de onderstaande tekst aan.
1) Structuurverandering van stoffen waarbij de moleculen niet van samenstelling
veranderen.
Geef een voorbeeld: water dat bevriest, kaarsvet dat stolt, …
2) Structuurverandering van stoffen waarbij de moleculen wel van samenstelling
veranderen.
Geef een voorbeeld: hout dat verbrandt, voedsel dat je kookt, …
Geef een synoniem voor zo een structuurverandering: stofomzetting
Bij voedsel kan je weten dat je met zo een structuurverandering te maken hebt als de smaak,
geur of kleur verandert.
2. Moleculen veranderen niet van samenstelling
Herhaling
De opdrachten voor deze tabel staat op volgende pagina.
Vaste stof Vloeistof Gas
Deeltjesmodel
Beweging trillen rollen vliegen
Groot / Niet zo groot / Groot / Niet zo groot / Groot / Niet zo groot /
Cohesie
Heel klein Heel klein Heel klein
Vorm Wel / geen eigen vorm Wel / geen eigen vorm Wel / geen eigen vorm
Volume Wel/geen eigen volume Wel/geen eigen volume Wel/geen eigen volume