Verbanden sociaal-maatschappelijk en economie?
Armoede mensen met geen of een te laag inkomen maken de keuze tussen uitkering of
een minimumloon.
Probleem: minimumloon (hardwerken) is niet veel meer dan uitkering
H1: INLEIDENDE BEGRIPPEN
Economie: de wetenschap die het streven naar bevrediging van de behoeften met behulp
van schaarse middelen, bestudeert.
Er is een inkomen nodig om behoeften te bevredigen
Het is een humane wetenschappen
Wetten en verbanden
Ceteris paribus één variabele verandert, de rest blijft gelijk
Mens ≠ rationeel
Taak van de economie: eventuele oplossingen aanrijken maar uiteindelijk beslist de politiek
- Welvaart: de mate waarin de gezinnen hun behoeften kunnen bevredigen –
koopkracht (welvaartsmeter: BBP – hoe hoger, hoe meer welvaart)
- Welzijn: een gevoel van welbevinden, door sommigen beschreven als geluk
Inductief: op basis van feitelijke gegevens wetmatigheden of verbanden afleiden
Deductief: op basis van postulaten gevolgtrekkingen maken
België is een welvaartsstaat, mensen zonder een inkomen worden door de staat geholpen
door middel van uitkeringen.
Gekenmerkt door: relatief gespreide inkomensverdeling, goede sociale zekerheid,
verhoogde en kwalitatief bevredigende consumptie en verbrede dienstverlening
Wordt in vraag gesteld door werkende mens (zij moeten hogere belastingen betalen)
Een nachtwakersstaat: overheid bemoeit zich zo weinig mogelijk
,H2: HISTORIEK VAN DE WELVAARTSSTAAT – niet te kennen (schema wel)
Schematische voorstelling van de welvaartsstaat
Het maatschappelijk doel is armoede bestrijden en het welzijn te verhogen
Minimuminkomen
Minimumloon bij voltijds werken alle behoeften kunnen bevredigen
Vervangingsinkomen sociale zekerheid (voldoen aan voorwaarden)
Niet voldoen aan de voorwaarden: leefloon van OCMWW
Kostprijs voor de MY (overheid)
Sociale uitgaven = werkveld van de MA
Arbeid, onderwijs, onderzoek, gehandicapten, jeugd, huisvesting, etc.
Belastingen op inkomen
H3: DE ECONOMISCHE KRINGLOOP
Economische verbanden
Behoeften
Primaire behoeften (levensnoodzakelijk)
Secundaire behoeften (sociaal, culturele)
Tertiaire behoeften (luxe)
, Kenmerken
Oneindig
Verzadigbaar (je krijgt er ooit genoeg van)
Veranderlijk (niet iedereen heeft dezelfde behoefte)
Vervangbaar of substitueerbaar
Goederen en diensten
Goederen – materieel (kan men vastpakken)
o Vrije goederen (geen eigenaar en onbeperkt vb. zeewater, zuurstof, etc.)
o Economische goederen (wel een eigenaar en schaars)
Consumptie (voor de consument): aankopen van goederen en
diensten
Gebruik: meerdere keren gebruiken
Verbruik: een keer gebruiken
Productie (voor de producent)
Grondstoffen: met oog zichtbaar waar iets van gemaakt is
Hulpstoffen: niet zichtbaar vb. energie
Dienst – immaterieel (kan men niet vastpakken vb. doktersafspraak)
Productie
3 productiefactoren
1) Natuur
2) Arbeid (Ap)
3) Kapitaal (wat er nodig is om iets te produceren – vrachtwagen, machines)
Wiskundig
Inkomen = Consumptie + Sparen/lenen + transFerte – belastingen
Minder consumeren dan inkomen sparen
Meer uitgeven dan inkomen lenen
F= uitkering RSZ (kindergeld)
Wet van Engel
Naarmate Y↑ zal het relatieve (procentuele) aandeel dat een gezin besteedt aan de
bevrediging van levensnoodzakelijke behoeften ↓ en omgekeerd. (door verzadigbaarheid)
Gesloten economie: alle inkomsten worden uitgegeven
+ oefeningen
H4: HET BEGRIP INKOMEN
Inkomen uit beroepsactiviteit
Arbeider verricht hoofdzakelijk handenarbeid, uurloon minstens 2x per week
Bediende verricht hoofdzakelijk intellectuele arbeid, maandwedde, salaris
De loonberekening verschilt naargelang arbeider of bediende.
Armoede mensen met geen of een te laag inkomen maken de keuze tussen uitkering of
een minimumloon.
Probleem: minimumloon (hardwerken) is niet veel meer dan uitkering
H1: INLEIDENDE BEGRIPPEN
Economie: de wetenschap die het streven naar bevrediging van de behoeften met behulp
van schaarse middelen, bestudeert.
Er is een inkomen nodig om behoeften te bevredigen
Het is een humane wetenschappen
Wetten en verbanden
Ceteris paribus één variabele verandert, de rest blijft gelijk
Mens ≠ rationeel
Taak van de economie: eventuele oplossingen aanrijken maar uiteindelijk beslist de politiek
- Welvaart: de mate waarin de gezinnen hun behoeften kunnen bevredigen –
koopkracht (welvaartsmeter: BBP – hoe hoger, hoe meer welvaart)
- Welzijn: een gevoel van welbevinden, door sommigen beschreven als geluk
Inductief: op basis van feitelijke gegevens wetmatigheden of verbanden afleiden
Deductief: op basis van postulaten gevolgtrekkingen maken
België is een welvaartsstaat, mensen zonder een inkomen worden door de staat geholpen
door middel van uitkeringen.
Gekenmerkt door: relatief gespreide inkomensverdeling, goede sociale zekerheid,
verhoogde en kwalitatief bevredigende consumptie en verbrede dienstverlening
Wordt in vraag gesteld door werkende mens (zij moeten hogere belastingen betalen)
Een nachtwakersstaat: overheid bemoeit zich zo weinig mogelijk
,H2: HISTORIEK VAN DE WELVAARTSSTAAT – niet te kennen (schema wel)
Schematische voorstelling van de welvaartsstaat
Het maatschappelijk doel is armoede bestrijden en het welzijn te verhogen
Minimuminkomen
Minimumloon bij voltijds werken alle behoeften kunnen bevredigen
Vervangingsinkomen sociale zekerheid (voldoen aan voorwaarden)
Niet voldoen aan de voorwaarden: leefloon van OCMWW
Kostprijs voor de MY (overheid)
Sociale uitgaven = werkveld van de MA
Arbeid, onderwijs, onderzoek, gehandicapten, jeugd, huisvesting, etc.
Belastingen op inkomen
H3: DE ECONOMISCHE KRINGLOOP
Economische verbanden
Behoeften
Primaire behoeften (levensnoodzakelijk)
Secundaire behoeften (sociaal, culturele)
Tertiaire behoeften (luxe)
, Kenmerken
Oneindig
Verzadigbaar (je krijgt er ooit genoeg van)
Veranderlijk (niet iedereen heeft dezelfde behoefte)
Vervangbaar of substitueerbaar
Goederen en diensten
Goederen – materieel (kan men vastpakken)
o Vrije goederen (geen eigenaar en onbeperkt vb. zeewater, zuurstof, etc.)
o Economische goederen (wel een eigenaar en schaars)
Consumptie (voor de consument): aankopen van goederen en
diensten
Gebruik: meerdere keren gebruiken
Verbruik: een keer gebruiken
Productie (voor de producent)
Grondstoffen: met oog zichtbaar waar iets van gemaakt is
Hulpstoffen: niet zichtbaar vb. energie
Dienst – immaterieel (kan men niet vastpakken vb. doktersafspraak)
Productie
3 productiefactoren
1) Natuur
2) Arbeid (Ap)
3) Kapitaal (wat er nodig is om iets te produceren – vrachtwagen, machines)
Wiskundig
Inkomen = Consumptie + Sparen/lenen + transFerte – belastingen
Minder consumeren dan inkomen sparen
Meer uitgeven dan inkomen lenen
F= uitkering RSZ (kindergeld)
Wet van Engel
Naarmate Y↑ zal het relatieve (procentuele) aandeel dat een gezin besteedt aan de
bevrediging van levensnoodzakelijke behoeften ↓ en omgekeerd. (door verzadigbaarheid)
Gesloten economie: alle inkomsten worden uitgegeven
+ oefeningen
H4: HET BEGRIP INKOMEN
Inkomen uit beroepsactiviteit
Arbeider verricht hoofdzakelijk handenarbeid, uurloon minstens 2x per week
Bediende verricht hoofdzakelijk intellectuele arbeid, maandwedde, salaris
De loonberekening verschilt naargelang arbeider of bediende.