Thematoets 6
Menswetenschappen
Ontwikkelingspsychologie voor leerkrachten basisonderwijs
Hoofdstuk 3. De ontwikkeling van kleuters, pagina 85-123
- Als je een kleuter ziet spelen, is hij of zij op alle gebieden iets aan het leren
- Kleuterperiode van 3 tot 6 jaar
- Ontwikkeling kleuter bijhouden in volgsystemen
- Gebruik maken van ontwikkelingslijnen die zich richten op de gebieden
- Sociaal-emotioneel
- Motoriek
- Zintuigelijke ontwikkeling
- Tekenontwikkeling
- Beginnende geletterdheid
- Beginnende gecijferdheid
3.1 Fysieke ontwikkeling
Motoriek
- algemene punten motoriek van kleuters zijn:
- Lichaamsbouw
- Ontwikkeling van spierbeheersing
- Uithoudingsvermogen
- Samengaan bewegen en leren
- Bij binnenkomst basisschool is grote motoriek goed ontwikkeld:
- Soepel lopen
- Vloeiende beweging zitten en staan
- lichaamsbouw in kleuterperiode ook wel breedtegroei genoemd —> typerend is ‘groot zwaar’
hoofd, cilindervormige romp met dik buikje, relatief korte ledematen, plompe handjes met dikke
vingers
- Spierbeheersing loopt van hoofd naar voeten —> halsspieren worden eerst beheerst, als laatste
teenspieren + hoe dichter bij de romp, hoe eerder de ontwikkeling —> schouderspieren eerder
beheerst dan polspieren —> belangrijk om te weten voor ontwikkeling kleine motoriek
- Kinderen willen veel bewegen, gaat van grove naar ver jnde bewegingen en van
ongecontroleerde naar beheerste coördinatie.
- Bij uithoudingsvermogen geld snel vermoeid maar ook snel herstelt
- Ontwikkeling motoriek staat in nauw verband met ontwikkeling andere gebieden:
- Waarnemen
- Begripsvorming
- Emotionele ontwikkeling
- bewegen en leren gaan bij kleuters samen
Grote motoriek
- in het begin doet hele lichaam mee met bewegingen, kleuters worden steeds soepeler en
handiger in grote bewegingen
- Spelsituaties bevorderd dit
Kleine motoriek
- ontwikkeling grote motoriek heeft invloed op tempo ontwikkeling kleine motoriek
- Verschil jongens en meisjes komt door verschillende activiteiten —> meisjes kiezen vaker en
eerder voor jn priegelwerk
- Oog-handcoördinatie —> je ziet iets met oog en de de motoriek wordt ingeschakeld om
doeltre end hierna toe te grijpen/reiken, wordt steeds ver jnder: meer details zien en meer hun
beweging daartoe onder controle hebben
- Ontwikkeling voorkeurshand (lateralisatie)
BG 1
ff fi fi fi
, BG
Thematoets 6
- Pengreep
Lichaamsoriëntatie (sterk motorische oorsprong)
- betekent kennis van het eigen lichaam
- Kennis lichaamsdelen en van houdingen en bewegingen
Tekenontwikkeling (sterk motorische oorsprong)
- heeft motorisch component: een kind moet potlood hanteren om te kunnen tekenen
- Jonge kleuters krassen en krabbelen zonder idee —> motorische expressie. Hierna geven ze
betekenis aan tekening, daarna tekenen ze met een plan
- Kind tekent mens als kopvoeter: cirkel met ogen en mond, kleine armen en benen (lengte gelijk)
—> daarna verlengde kopvoeter, benen zijn langer en poppetje heeft meer details —> daarna
volledig mens guur
Zintuigelijke ontwikkeling
- visuele en auditieve ontwikkeling —> gaat om waarneming
- Voor communicatie met omgeving zijn ogen en oren in combinatie met de motoriek de
belangrijkste zintuigen voor kleuters
Visuele waarneming
- via ogen komt informatie binnen, bij visuele waarneming gaat het vooral om wat er met de
informatie gebeurt: hoe wordt het verwerkt, wat doet het kind ermee
- Hoe beter de visuele waarneming, hoe minder problemen het kind straks heeft met leren lezen
en spellen
- Herkennen en benoemen van kleuren en geometrische vormen hoort ook bij visuele
waarneming, verschil tussen actieve en passieve kennis
- Passieve kennis —> wijs rood aan, kind doet dit
- Actieve kennis —> kind wijst rood aan, zegt dat dit rood is
Auditieve ontwikkeling
- 2 dingen: in hoeverre kunnen kleuters informatie onthouden en toepassen & klankbewustzijn
- Geheugen speelt een belangrijke rol
- Klankbewustzijn wordt bedoelt dat kinderen een vaardigheid ontwikkeling om de aandacht te
richten op de klankstructuur van woorden —> afzien van betekenis en luisteren naar losse
klanken
Seksuele ontwikkeling
- Volgens Freud bevind kind zich in fallische fase, de fase waarin het belangstelling krijgt voor
genitaliën
- Kind ontdekt geslachtsverschil
- Kleuters kunnen sterke verliefdheid gevoelens krijgen voor de ouder van het andere
geslacht
- Volgens Kohlberg weten kleuters al vanaf 3 jaar dat ze een jongen of meisje zijn = het hebben
van geslachtsidentiteit —> bese en nog niet dat dit onveranderlijk is. Vanaf 4-5 jaar
geslachtsstabiliteit —> besef dat jongen een jongen blijft en later een man wordt. Uiterlijke
veranderingen (bv. Kleren, gedrag) kunnen kinderen nog laten twijfelen over het geslacht van
een ander. Bij geslachtsconstantheid (6-7 jaar) is dit niet meer het geval.
- Vertonen genderrolgedrag begint al jong —> vanaf peuterleeftijd zien wij verschillen in
voorkeur voor speelgoed en spelactiviteiten
- bij normale ontwikkeling van kleuters kun je zien dat ze vrij omgaan met het eigen lichaam en
met het lichaam van anderen —> kijken, vragen en aanraken
- Ook zindelijkheid, eigen verzorging (afvegen billen, aankleden) hoort bij deze paragraaf —> in
principe moeten ze dit bij start basisschool periode zelf kunnen
3.2 Sociaal-emotionele ontwikkeling
- ontwikkeling kinderen is resultaat van interactie tussen kind en omgeving
- Basisontwikkeling geeft aan dat ‘gezonde kleuter’ 3 basiskenmerken heeft
BG 2
fi ff