H4: Chromosomale mechanismen van overerving
1. Mendeliaanse overerving
• Erfelijkheidsleer= genetica =studie van de overerving
1.1. Kruisingen met erwtenplanten
• Bij zaadvaste planten = bij zelfbestuiving hebben de nakomelingen zelfde kenmerk als de
ouder
• Kruising = geslachtelijke voortplanting (uitwisseling gen. mat.) tss 2 individuen die in
minstens 1 kenmerk verschillen → nieuwe gen. = hybride ( variantie in nakomelingen)
- monohybride kruising= 1 kenmerk
- dihybride kruising= 2 kenmerken
1.2. Monohybride kruisingen
1.2.1. Monohybride kruisingen met dominante overerving
Altijd deze frequentie vanwege dom. van gele kleur
1.2.2. interpretatie vd resultaten → splitsingswet (eerste wet v Mendel)
• Elk individu heeft voor een bep. kenmerk 2 erffactoren: 1 vader & 1 moeder
• Bij vorming gameten: elke gameet slecht 1 vd 2 erfactoren
• Bij versmelting van 2 gameten: nieuw individu heeft 1 erfactor van elke ouder
, 1.2.3. Symbolische voorstelling
• Dominant kenmerk: hfdletter
• Recessief kenmerk: dezelfde letter maar klein
1.2.4. Moderne geneticabegrippen
→ bepaald door genotype+ omgevingsfact.
2 verschillende genotypen voor 1 fenotype
= drager van zelfde allelen
= verschillend in allelen
1.2.5. Monohybride kruisingen met intermediaire overerving
= mengvorm
1.2.6. Monohybride kruisingen met codominante overerving
= geen mengvorm
,1.3. Dihybride kruisingen
1.3.1. Dihybride kruisingen met twee dominante kenmerken bij dezelfde ouder
1.3.2. Interpretatie vd resultaten → onafhankelijkheidswet (tweede wet van Mendel)
• beide kenmerken volgen los van elkaar de splitsingswet: onafhankelijk van elkaar
• makkelijk om dihybride kruising te berekenen: bereken kans van elke kenmerk apart &
vermenigvuldig
•
1.3.3. Dihybride kruising met 1 dom. en intermediair kenmerk
, 1.3.4. Dihybride kruising met 2 intermediaire kenmerken
2. Chromosomale basis van overerving
• Genen liggen op chromosomen
• Locus = de plaats v/e gen op een chromosoom (→ zodat het kan worden uitgewisseld)
• Homologe chromosomen hebben dezelfde genloci ( mr vaak verschillende allelen)
Voorwaarden homologen chromosomenpaar:
1) Even lang & dragen hun centromeer op dezelfde plaats
2) In profase 1 van meiose 1 vormen ze paren
3) Dragen op overeenkomstige plaatsen dezelfde lineair geordende genloci
3. Bijzondere gevallen van overerving
3.1. Letale allelen
• Allelen die in een homozygoot genotype geen levensvatbaar individu opleveren
→ nakomelingen w niet geboren of met
Afwijkingen
3.2. Multipele allelen
• Meer dan 2 mogelijke allelen voor een gen
Vb. bloedgroep
1. Mendeliaanse overerving
• Erfelijkheidsleer= genetica =studie van de overerving
1.1. Kruisingen met erwtenplanten
• Bij zaadvaste planten = bij zelfbestuiving hebben de nakomelingen zelfde kenmerk als de
ouder
• Kruising = geslachtelijke voortplanting (uitwisseling gen. mat.) tss 2 individuen die in
minstens 1 kenmerk verschillen → nieuwe gen. = hybride ( variantie in nakomelingen)
- monohybride kruising= 1 kenmerk
- dihybride kruising= 2 kenmerken
1.2. Monohybride kruisingen
1.2.1. Monohybride kruisingen met dominante overerving
Altijd deze frequentie vanwege dom. van gele kleur
1.2.2. interpretatie vd resultaten → splitsingswet (eerste wet v Mendel)
• Elk individu heeft voor een bep. kenmerk 2 erffactoren: 1 vader & 1 moeder
• Bij vorming gameten: elke gameet slecht 1 vd 2 erfactoren
• Bij versmelting van 2 gameten: nieuw individu heeft 1 erfactor van elke ouder
, 1.2.3. Symbolische voorstelling
• Dominant kenmerk: hfdletter
• Recessief kenmerk: dezelfde letter maar klein
1.2.4. Moderne geneticabegrippen
→ bepaald door genotype+ omgevingsfact.
2 verschillende genotypen voor 1 fenotype
= drager van zelfde allelen
= verschillend in allelen
1.2.5. Monohybride kruisingen met intermediaire overerving
= mengvorm
1.2.6. Monohybride kruisingen met codominante overerving
= geen mengvorm
,1.3. Dihybride kruisingen
1.3.1. Dihybride kruisingen met twee dominante kenmerken bij dezelfde ouder
1.3.2. Interpretatie vd resultaten → onafhankelijkheidswet (tweede wet van Mendel)
• beide kenmerken volgen los van elkaar de splitsingswet: onafhankelijk van elkaar
• makkelijk om dihybride kruising te berekenen: bereken kans van elke kenmerk apart &
vermenigvuldig
•
1.3.3. Dihybride kruising met 1 dom. en intermediair kenmerk
, 1.3.4. Dihybride kruising met 2 intermediaire kenmerken
2. Chromosomale basis van overerving
• Genen liggen op chromosomen
• Locus = de plaats v/e gen op een chromosoom (→ zodat het kan worden uitgewisseld)
• Homologe chromosomen hebben dezelfde genloci ( mr vaak verschillende allelen)
Voorwaarden homologen chromosomenpaar:
1) Even lang & dragen hun centromeer op dezelfde plaats
2) In profase 1 van meiose 1 vormen ze paren
3) Dragen op overeenkomstige plaatsen dezelfde lineair geordende genloci
3. Bijzondere gevallen van overerving
3.1. Letale allelen
• Allelen die in een homozygoot genotype geen levensvatbaar individu opleveren
→ nakomelingen w niet geboren of met
Afwijkingen
3.2. Multipele allelen
• Meer dan 2 mogelijke allelen voor een gen
Vb. bloedgroep